Zuid India


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Mamalapuram
Pondicherry
Kumbakonam
Tiruchirappalli
Madurai
Kodaikanal
Periyar
Alleppey
Cochin
Kovalam
Abu Dhabi
Thuiskomst

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldzaterdag 15 maart 1997

Van Kumbakonam naar Trychi

Ravi had ons opgedragen om ’s avonds bij de receptie al het ontbijt voor de volgende morgen te bestellen, want hij wilde vroeg vertrekken. Scrambled eggs Bombay, kozen we om Indiaas te blijven. Wie had gedacht dat dit ‘s morgens in tijd zou schelen kwam echter bedrogen uit. Het vormde een bron van verwarring.
Eerst kregen we een continentaal ontbijt voorgezet dat in heel India bestaat uit vier slappe toastjes met jam waaraan we een hekel hebben. "We hebben scrambled eggs besteld", zeiden we. De ober wiebelde met zijn hoofd, hetgeen evengoed ja als neen kon betekenen. Vijf minuten later zette hij ons twee gebakken eieren voor met veel glibber. We wilden nog zeggen dat dit in Holland al lang niet meer mocht, maar de ober wiebelde weer met zijn hoofd en verdween. Na de glibber afgeschraapt te hebben aten we de dooier op. Tot onze verbazing verschenen hierna de scrambled eggs nog een keer plus de rekening voor twee ontbijten.

Rond tien uur bereikten we Tanjore, de oude hoofdstad van de Chola koningen waar we de Brihadishwara tempel bekeken die zeer de moeite waard was. Vooral de blauwe fresco’s waren prachtig en nog opmerkelijk gaaf, evenals een van de grootste Nandis van India. We waren vroeg, nog voordat de bussen met schoolkinderen arriveerden. De gidsen drongen zich niet op en we konden alles op ons gemak bekijken. Eindelijk ook eens een mooie lichtval om foto’s te nemen, want meestal bekijken we tempels op het heetst van de dag. Imposant vond ik de buitenwal die het gehele complex omheinde. Hij was zeer oud en had sobere nissen, trapjes en pilaren. Op de hoge muur, helemaal rondom, lag om de zoveel meter een Nandi met zijn rug naar de tempel gekeerd, naar de verte te staren. (Dit is de tempel waar in de zomer van 97 een hevige brandt heeft gewoed die talloze slachtoffers maakte).

Buiten de tempel stond een mannetje zijden pyjama’s te verkopen in prachtige kleuren. Na enig onderhandelen bood hij er twee aan voor twaalfvijftig. Ik ging voor de bijl maar toen ik ze voor de eerste keer waste bleek de kleurstof er in grote wolken af te vallen.
We bezochten het museum dat prachtig beeldhouwwerk bevatte uit allerlei perioden Het was bijzonder leerzaam, want je moet de verschillen tussen de verschillende perioden wel leren zien. Valt nog niet mee in een tijdsbestek van enkele weken. De warmte ontwikkelde zich buiten ondertussen tot enorme hoogte en Ravi stelde voor om ergens koel te gaan eten.

Anders dan op onze eerste Indiareis eten we steeds maar in dure tenten. Jammer, want juist de volkse eethuisjes zijn vaak zo lekker. We verdenken Ravi ervan dat hij ons schone toiletten wil geven na de plasstopjes onderweg. We zijn aan eten dan ook driemaal meer kwijt dan nodig is, terwijl in die keurige (hotel)keukens niet hetzelfde Indiaas wordt gekookt als in de gewone etablissementen. We hadden trouwens net met veel plezier geleerd hoe je met je handen moet eten, wat we op de pluche stoelen natuurlijk niet mochten doen.

We namen een talli, zo’n groot metalen bord met broodsoorten, rijst en kommetjes vol linzen, bonen, groente, curd en zoetigheid. Het was keurig netjes, heel smakelijk ook maar de prijs was veel pittiger dan de gerechten.
In de bus was de temperatuur ondertussen tot ver boven de dertig graden opgelopen. Ik ben al aardig geacclimatiseerd en kan de warmte goed hebben, maar toen er straaltje uit mijn knieholten liepen, wist ik dat het heet moest zijn. Zelfs Ravi lag zowat voor pampus.

Op deze reis hebben we goede hotels. Heerlijk natuurlijk, al vond ik de afwisseling tussen logement en luxe in het Noorden ook verrassend. Nu zijn we ingekwartierd in een grote Indiase residentie met ruime kamers die zowel airco als ventilator hebben. Er is een ruime badkamer met bad en heerlijk warm water, maar de grote emmer om je wasje in te doen ontbreekt. Die is in primitievere hotels te vinden waar geen wasserij-faciliteiten zijn. We hebben hier dus maar de (schone) prullenmand voor gebruikt. Omdat we drie achtereenvolgende nachten van hotel gewisseld waren, hadden we behoorlijk wat achterstallig onderhoud.

Een duur hotel betekent meteen dat alles duurder is, ook de wasserij. Ze vragen hier notabene een gulden per T-shirt exclusief 20% tax. Ravi raadde ons aan om de was pas in Madurai te laten doen, want daar kost het maar een schijntje. Makkelijk praten, want we moeten wel iets aan.
Met behulp van onze onvolprezen lange lijn, via diverse stoelen een drooglijn geïmproviseerd en de was uitgehangen. Verder natuurlijk kleerhangers aan lampen en overaal waaraan maar iets te hangen viel. Tegen onze gewoonte in alle rommel laten liggen om beneden een drankje te drinken met Ravi en de anderen. Het wordt nu een leuke groep. Toen we na tafel weer boven kwamen lagen de bedden plooiloos opengeslagen. We voelden ons zeer betrapt. Dit soort hotel dus.

Het vervelendste van zo’n keurig hotel is nog dat het buiten het centrum ligt. We wilden nog een ommetje lopen, maar er viel in de hele buurt niets te beleven. Geen handel, geen winkeltjes, geen vertier. Zelfs geen mensen op straat. Er zijn hier alleen maar grote kantoorgebouwen, en de statige Bank van India naast de deur.

We hebben vanmorgen gelukkig al geld gewisseld. Ravi had bijtijds bedacht dat morgen de banken gesloten zijn. Traveller cheques wisselen in India kan een heel gedoe zijn waaraan dikke stempels te pas komen, met de hand geschreven kasboeken, formulieren, nog meer stempels, indringende blikken, strenge ondervragingen en zo meer. Alles zeer ambtelijk en gewichtig. Ze nemen er dan ook de tijd voor. Je bent zo een uur verder voordat je met dikke (met krammen aan elkaar geklonken) pakken geld weer buiten staat. Meestal staan daar dan bedelaars. Viel vanmorgen reuze mee.

speldzondag 16 maart 1997

Een bus en 450 traptreden

We versliepen ons omdat de wekker niet was afgelopen en stonden pas om half elf buiten in plaats van om half negen. We wilden naar de moskee (van Hindu-winkels blijven de rolluiken op zondag gesloten) omdat hier meestal wel iets verhandeld wordt. De motorrikshaw die we namen wist de moskee echter niet te liggen, en bracht ons daarom maar naar de katholieke Mariakerk waar net een mis werd opgedragen. Wij vroegen de man te wachten en liepen de kerk binnen. De plechtigheid was een mengeling tussen Hindu en Moslim, vonden wij: alle slippertjes stonden buiten en de vrouwen hadden zich met de flap van hun sari gesluierd. De kerk, toch tamelijk oud, was opgesierd als een suikertaart. Alles in poezelige Hindu-kleuren: zoetig rose, bleu, mauve, lichtgeel en vooral met veel goud. Zelfs de fraaie pilaren hadden het moeten ontgelden en waren op deze wijze gemoderniseerd. Alleen de granieten vloer was nog prachtig en onbedorven.
De rikshawrijder had op ons gewacht en een Engelssprekende dame gevonden die hem vertelde hoe hij moest rijden. Op naar de moskee, vijf kilometer verder volgens de dame wat een beetje overdreven was. We stapten uit in de blikkerende zon (het was inmiddels half twaalf) en slenterden door een gezellig Islamitisch steegje naar de moskee, waar we door de tralies gluurden. Er viel niet zoveel te beleven als we hadden gehoopt, dus we keerden weer terug naar onze rikshawrijder. "Shopping!" riepen we tenslotte, en die kreet kende hij wel. Hij bracht ons wat dichter naar het Rode Fort waar inderdaad de handel levendig tierde. Zo sloften we op het heetst van de dag zonder een streepje schaduw (de zon loodrecht boven ons hoofd) gezellig mee met de vele sari’s en lendendoeken die hier hun inkopen deden. We zagen wat er aan vaatwerk gangbaar is (aluminium borden, bekers, kommen), welke behaatjes de Indiase schonen onder hun topje dragen, welke (vrij dikke) onderrok onder hun ragdunne sari zit en welke nachtponnen ze kopen.

Om half twee waren we terug in het hotel om even te dutten en te douchen voordat we om vier uur met de hele groep gingen stappen. Ravi had zich voorgenomen ons in het openbaar vervoer te krijgen. We gingen met de "normal" bus, ofwel lijn 2, want onze eigen touringcar had een vrije dag. Het was een belevenis. We kwamen door straten die we van ’s morgens al kenden en stapten uit bij het Rode Fort.
Irene, weer een beetje opgeknapt, wist te melden dat ze in de krant had gezien dat het gisteren 38° C was. Vandaag was het beslist niet koeler, maar de hitte went. (Zie weerbericht 16 maart 1997)
Het Rode Fort is een fort in een rots. Je kunt 450 trappen beklimmen om vanuit een monsterlijk heiligdom over de stad uit te kijken. We moesten wel op de trappen al onze schoenen uit en JW zei dat hij dit niet deed en bleef beneden. Ik had ook wel zin om aan deze kwelling te ontsnappen, maar raapte toch de moed maar bij elkaar. Uiteindelijk kwam ik nog als eerste boven, zonder knikkende knieën en trillende kuiten, waar de anderen aan leden.

We hoopten dat de zon mooi zou ondergaan, maar die hield het voor gezien. Net zoals vorig jaar bij de Taj Mahal in Agra zakte hij langzaam en zonder verkleuren in de laag stof die boven de stad hing. Het uitzicht op alle kleine huisjes beneden was leuk, evenals het feit dat we boven de rondvliegende vogeltjes stonden. We lieten de zon rustig zijn gang gaan en daalden nog bij daglicht de 450 treden weer af.

Hierna zetten we koers naar de moskee waar om zes uur een dienst zou worden gehouden. Tot onze verrassing mochten we allemaal de voorhof binnen. We durfden geen foto’s te nemen, maar het was er mooi en rustig. We gingen op een stoepje langs de zijkant zitten kijken naar wat zich allemaal voltrok. Het was ondertussen donker geworden. Een van de wachters kwam ineens de mannen uitnodigen om mee naar binnen te gaan. Kees voelde er niet voor, maar JW en Victor volgden de man naar binnen.

Tien minuten later kwam de wachter terug om ook de dames uit te nodigen. Ravi mocht als Hindu de moskee niet binnen en bleef op onze spullen passen. Wij waren verbaasd en verrast want we droegen geen sluier, en Heleen liep zelfs met blote schouders.

We traden binnen in een kleine hal waar biddende mannen en vrouwen op de grond zaten. Alleen Victor was in levendig gesprek gewikkeld met een man, die er wijs en eerbiedwaardig uitzag. Hij is bij de Indiërs zeer geliefd en maakt makkelijk met iedereen contact. Op de trappen van het Rode Fort kreeg hij pardoes een baby in de arm gedrukt omdat hij ermee op een foto moest.

De mannen werden vervolgens uitgenodigd het heilige der heilige te betreden, waar Turkse koningen liggen begraven. Ook daar werd gebeden. Toen ze terugkwamen kregen we alle zes een dadel uitgereikt die we zwijgend aten. Het was een hele belevenis om in een moskee aan een plechtigheid deel te nemen.

Hierna stortten we ons weer in de "normal" bus, die nu veel drukker was en bij het busstation scheidden onze wegen. Wij besloten om in deze buurt te blijven eten, niet in het nette hotel dat Ravi ons gewezen had, maar gewoon in een van de vele lokale eehuisjes langs de straat.
We werden als vorsten bediend, al verstond niemand een woord Engels. We kregen geen bestek dus we aten alles met de rechterhand, zoals we hadden geleerd. De maaltijd was heerlijk en de fles water die nog voor een kwart vol zat kregen we mee. De rekening bedroeg voor twee personen 78 rupees, ofwel vier gulden. Als je hier normaal eet kost het een habbekrats. In hotels eet je voor 100 rupees per persoon. Dat is dus nog voor weinig!

speldmaandag 17 maart 1997

Tempeltocht in de omgeving

Nog steeds Trychi. De krant meldde dat het hier gisteren 39°C was, erg warm voor de tijd van het jaar. Ik moet me sterk vergissen of vandaag hebben we de 40° C wel gehaald. Om half tien, wat meestal nog een koel uur is, liep het zweet ons al bij stralen uit het lijf. Irene was wat opgeknapt, maar nu ging Kees niet mee op tempeltocht omdat hij zich niet lekker voelde.

Bij de eerste tempel die we aandeden, de Srirangam die een stukje buiten de stad lag, troffen we een strenge gids van wie we goed moesten luisteren. We mochten niet onze eigen gang gaan maar moesten ons voegen naar zijn tempo. Ik vond deze rondleiding met weer eindeloze uitweidingen over Vishnoe en Shiva nogal vervelend. Jammer, want er viel genoeg te zien.

De Srirangam schijnt de grootste tempel te zijn van heel India en dateert van de 14de - 17de eeuw. Voor het eerst deze reis zagen wij een paar ondeugende beeldjes, hoewel ze het niet haalden bij de vrije en sierlijke beeldhouwwerken uit Kajuaro. In het zuiden lijken alle afbeeldingen trouwens wat stijver en strenger. Het is mooi, maar mist de verbluffende bevalligheid die we in het Noorden zagen ontbreekt. De Moghuls hebben hier het hinduïsme niet beïnvloed.

Heet was het, ook in de diepste schaduw waar het graniet een temperatuur had bereikt van een goed brandende verwarming. De warmte sloeg de stenen uit en het cocosvet droop van de heilige beelden en stonk onbarmhartig. We zagen ook de Indiërs zweten en dit troostte ons zeer. Verkoeling zoeken op een traptree was er dus niet bij, en er viel ook niet meer tegenop te drinken. De wereld was nu warmer dan wijzelf, een vreemde sensatie. Niet per se onplezierig, maar wel onwennig en uitputtend.

Buiten de tempel viel je met je neus in de handel (ook binnen werd veel verhandeld aan religieuze zaken en bloemenkransen). Heleen had haar oog laten vallen op een sari waarvan ze kussentjes wilde maken en was het houten bordes van de handelaar opgestapt. Wij riepen naar haar dat ze de sari moest laten omknopen zodat we konden zien hoe dit moest. De verkoper durfde haar niet aan te raken, maar een dame uit het publiek (er was natuurlijk een oploop ontstaan) bood aan om het te demonstreren.

De rest van het gezelschap wilde de tweede tempel (de Sri Jambukeshwara, gewijd aan Shiva) vanwege de hitte maar laten zitten, maar dit was te dol. Je bent hier maar één keer in je leven. We reden er dus heen, moesten een vermogen betalen om te mogen filmen, troffen een blaffende priester die weer bepaalde hoe lang waar gekeken mocht worden onder vele verhalen die met historie of architectuur niets te maken hadden, en ik hield zijn rondleiding al na vijftig meter voor gezien. Irene was al eerder afgehaakt en we trokken ons terug in de betrekkelijke koelte (meer donker dan koel) van de prachtige hal met duizend pilaren die van uitzonderlijke schoonheid waren. Toen ik er later over de tempel las bleek die hal ook buitengewoon te zijn.

Gezegend worden door de olifant is een ritueel dat we nog niet eerder zagen (al had ik er wel over gelezen). In de tempel staat een zielige olifant aan ketens. De oppasser zit er minzaam naast te mediteren. Voorbijgangers stoppen de olifant een muntje in zijn slurf, en die legt dan zijn slurf even luchtigjes op het hoofd van de gever, waarna hij het muntje aan de oppasser geeft. De oppasser steekt snel het muntje in zijn zak en mediteert verder alsof geld bijzonder vies is.
Ik las dat er olifanten worden verhuurd om een aantal maanden met een "bidder" rond te trekken. Tegen de tijd dat het dier half is verhongerd, wordt hij weer op stal gezet om bij te komen. Een olifant is vreselijk duur omdat het dier je de oren van de kop eet.

Rond half twee waren we terug in het hotel. We bestelden een lassie op de kamer en gingen onder zeil. De hitte eiste zijn tol. We braken ons noodrantsoen zoute amandelen aan om weer een beetje op krachten te komen en maakten koppen zoute bouillon. We gingen pas om half zeven weer naar buiten. Zelfs toen nog viel de droge hitte op ons neer. We namen een rikshaw en lieten ons naar de Ghandi Market rijden, een buurt die we nog niet hadden gezien. De rikshawrijder (dezelfde van gisteren) zette er de spurt in zodat een koel briesje ons verfriste. Nou ja, ik bedoel eerder: verkoelde, want fris kun je Indase steden niet noemen. Stof, walm, stank, roet, uitlaatgassen. Veel straten zijn niet meer dan een zandpad. In een rikshaw zitten is genieten met gevaar voor eigen leven. Net een cake walk.

De Ghandi Market bleek een openbaring. Nooit van ons leven zo’n prachtige groentemarkt gezien. Geordend, groot, professioneel en vriendelijk. We werden bekeken en begroet of we iets bijzonders waren, kregen twee volle handen jasmijnknopjes cadeau (waarvan slingers worden geregen voor in het haar - bij wijze van parfum misschien?} en mochten een brok rietsuiker proeven die naar honing smaakte. Toen wij dit lekker bleken te vinden en nog een paar van die brokken wilden kopen (er waren verschillende soorten en wij wezen aan "een paar van deze, en nog twee van die") mochten we niet betalen. We kregen de suiker cadeau!
De schade bereikte de astronomische hoogte van 350 rupees.

spelddinsdag 18 maart 1997

Van Trychi naar Madurai

Het werd een lange trip, van Trychi naar Madurai waar we pas om half vijf ‘s middags aankwamen: badend in het zweet en groen van de honger. Ravi heeft geen benul van Europese magen, en de lunchpakketten die hij had beloofd (sandwiches met tomaat, komkommer en kaas) waren mislukt. Ravi zei dat het brood niet goed zou blijven op de lange tocht, maar het hotelrestaurant was niet al te prettig en wie weet lag het daar wel aan.

We leefden de hele dag op bananen en mierzoete koekjes terwijl de bus langzaam maar zeker op een oven begon te lijken. Wel maakten we een paar boeiende stopjes.
We zagen (maar ik weet niet meer in welk dorp) een zeer fraaie, en rustige tempel waar we allervriendelijkst werden rondgeleid en overal mochten komen. Prachtige pilaren en beeldhouwwerk, koele kloostergangen met soms een oversteek naar een ander gebouw over gloeiend zand door de zinderende hitte. De temperatuur was weer 39°C.

Een stop bij vreemde afgodsbeelden zomaar in het open veld. Twee gigantische figuren en wat ruiters in opmerkelijk verschillende stijlen. Er liep een mooie kudde geiten en er was net een geitje geboren. De bus had gelukkig een lekker band, dus we mochten wat langer op dit leuke plekje blijven.
Het landschap heeft iets woestijnachtigs. De bodem begint steeds rotsachtiger te worden. Cactus in allerlei vormen, gewassen met grote doorns, open ruigten, zand, stof , droogte. Hier en daar een uitgemergeld rijstveld. Bomen zijn op stervens na dood. Oude vrouwen dragen geen topje onder hun sari. Kudden geiten en schapen die door een jongen of meisje worden gehoed. Runderen grazen niet vrij maar worden op het erf gehouden. Bij elk huis en bij ieder hutje een grote baal gedroogd gras voor het vee. Minihutjes soms, waar hele families in wonen. Niet meer dan een dak van palmblad en wanden van leem, zonder ramen. Beschutting tegen zon, maar ze lijken niet bestand tegen de grote moesson. Stahoogte kan er nauwelijks zijn, ook niet voor kleine Indiërs. Toch ziet iedereen er fris gewassen uit en draagt iedereen schone kleren, hoewel je nergens was ziet hangen. Ze hangen de was ook niet op, ze leggen hem neer om te drogen. Hutten, huizen, tuinen en erven worden meermaals per dag geveegd en met water besprenkeld tegen het stoffen. India is overal één grote rotzooi, terwijl de mensen eigenlijk zeer proper zijn.

We ervaren hoe desastreus plastic en blik zijn. Afval wordt namelijk gewoon naast of achter het huis gegooid. Loslopende koeien, geiten, kippen en varkens scharrelen er hun kostje uit (koeien eten ook papier) en de rest wordt wel door de zon verteerd. Alleen plastic en blik blijven over en maken er vuilnisbelten van.

Heel India doet zijn behoeften buiten. Hoewel we nog nooit een gehurkte vrouw hebben betrapt, weten we dat ze het wel doen, waarschijnlijk als het donker is. Bermen, parken, bruggen en goten liggen vol viezigheid en stinken een uur in de wind. Een land vol tegenstrijdigheden want nog geen tien meter verder kun je de heerlijkste geuren opsnuiven van wierook of cambodjabloemen en jasmijn.

In het Noorden was er al grote handel in bloemen, hier is het overdadig. Bij karrevrachten worden elke dag jasmijnknopjes en roosjes verhandeld, waarvan lange slingers worden geregen. Je kunt er twee meter van kopen, of maar een kort stukje net wat je wilt. Vrijwel alle vrouwen dragen bloemenslingers in het haar. Is dit soms hun vorm van parfumeren? Bij ons zijn jasmijntjes snel verlept, maar hier blijven de knopjes de hele dag zoet en intens geuren.

Een volgende stop was onder hoge loofbomen aan de rand van een grote rots. Horen en zien verging want vogels en apen krijsten om het hardst. Aan de rots hingen enorme bijennesten. We aten sinaasappels en banaan en lokten de aapjes naar ons toe met stukjes vrucht.

In de blikkerende zon beklommen we een gloeiende rots om een kleine antieke buddhatempel te bekijken die uit de rots was gehouwen. Na alle overdaad van de uitbundige hinducultuur (altijd gewapper met armen, benen en slurven) was de bijna verstilde pracht van de krachtige buddha’s een verademing. Vooral de authentieke schilderingen, op sommige plekken zeer goed bewaard, waren prachtig. Al het religieuze schilderwerk in tempels is in pastel. Zelfs de fraaiste oude beelden bekrijten ze met rose en bleu. Of ze maken de ogen wit. Of ze pappen het steen vol met cocosvet, zodat het pikzwart wordt en een walgelijke lucht verspreidt. Deze tempelschilderingen waren fijntjes en elegant, in antieke aardkleuren zoals wij ook wel in Europa kennen.

 


Mamalapuram |  Pondicherry |  Kumbakonam |  Tiruchirappalli |  Madurai |  Kodaikanal |  Periyar |  Alleppey |  Cochin |  Kovalam |  AbuDhabi |  Thuiskomst