Zuid India


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Mamalapuram
Pondicherry
Kumbakonam
Tiruchirappalli
Madurai
Kodaikanal
Periyar
Alleppey
Cochin
Kovalam
Abu Dhabi
Thuiskomst

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

spelddinsdag 18 maart 1997

Madurai

In Madurai staat de prachtige hindutempel Meenakshi die aan de vier ingangen enorme gopurams heeft staan. De 60 meter hoge torens zijn versierd met duizenden goden. De Tamils worden de grootste tempelbouwers van de wereld genoemd.

We bereikten Madurai rond een uur of vijf. JW wilde spoorslags naar de grote tempel, waarin en waaromheen het volle leven van de stad zich afspeelt. We verfristen ons kort en bestelden op het dakterras een hapje, terwijl Ravi zijn briefing gaf. Niemand wilde meer onder leiding gaan “tempelen” en daarom sloegen we een gezamenlijke trip met eigen bus af, tot groot verdriet van Ravi en Maghal die zich ineens overbodig voelden.

Terwijl ik tijdens de rit liters vocht (en zout) was kwijtgeraakt en me voelde als een vaatdoek, scheen JW nergens last van te hebben. Hij wilde om zes uur bij de tempel zijn en daar liefst tot negen uur blijven omdat er een processie zou zijn. Ik ging mee, maar het werd me teveel van het goede. Ik had geen oog meer voor de bedrijvige stad, waar bedelaars, rikshawrijders, kleermakers, runners en verkopers uit het niets opdoken en aan me bleven kleven. Ik was te vermoeid en kon de hele santenkraam, waarvoor je uitgerust en slagvaardig moet zijn, niet langer verdragen.

We doken een vegetarisch restaurant in dat wel heel erg locaal was. De gerechten stonden in Tamil geschreven op grote borden maar we konden ze niet lezen. De waard (of liever: de smoezelige baas die hiervoor doorging) keek ons meewarig aan en bracht evenwel meteen een grote fles water. We konden geen woord met hem wisselen, maar werden vriendelijk met rust gelaten. Wel staarden van andere tafels iedereen ons aan.

Nadat wij links en rechts om ons heen hadden gekeken wat de pot zoal schafte, bestelde we stotterend een dosa, die ons met een stralend gezicht werd gebracht. Ik durfde in mijn vermoeide staat niet van de sausjes te eten, want als je moe bent krijg je het makkelijk aan je ingewanden. Terwijl JW zich de linzencurries goed liet smaken die hij uit een enorme emmer kreeg opgediend, kauwde ik uit zelfbehoud een droge pannekoek naar binnen. De waard was ook nog zo aardig om ons theelepeltjes te brengen, want ander bestek had hij niet. Om ons heen zaten de Indiërs weer uitbundig met hun hand curries door de rijst te roeren. Om hiervan te genieten was ik niet meer in staat. Ik werd er bijna onpasselijk van.
De rekening was fantastisch: we aten met z’n tweeën voor 35 rupees en het water was inclusief.

Met je vingers eten, filosofeerden we later, is in dit soort landen niet eens zo gek. Slecht afgewassen bestek vormt waarschijnlijk een grotere bron van besmetting dan je eigen gewassen handen. Als je soms het bakje sop ziet dat zij afwaswater noemen, dan is het nog een wonder hoeveel mensen er gezond zijn!

Over kinderarbeid gesproken: in dit type volkseethuizen lopen knaapjes rond die alleen maar lege borden weghalen en dan met een soort ramentrekker de klodders en kruimels van het tafelblad vegen. Het werkt ongelooflijk efficiënt, maar de kinderen (die overdag in de schoolbanken zitten) maken wel lange uren.
Er zijnonbeschrijflijk veel kinderen. De scholen zijn overvol. Als je toevallig langs een school rijdt die net begint, weet je niet wat je ziet. Op schoolpleinen kun je over de hoofden lopen. Veelal wordt er in twee ploegen onderwezen. De ene ploeg heeft ‘s morgens les en de andere ‘s middags.

Het eten duurde niet lang genoeg om echt van uit te rusten, desondanks gingen we toch het gigantische tempelcomplex maar binnen. Sandalen inleveren bij een bewaker en op slofjes door onbestemd nat, rochels, snot en keutels. Langs handel, bedelaars, runners, slapers, handlezers, de onvermijdelijke olifant, de onvermijdelijke duizend pilaren, het stinkende heilige cocosvet, het mikken met boterballetjes naar een of andere god (misselijk makende ranzige stank), de geur van bloemetjes en wierook, het onvermijdelijke fallussymbool van puur goud ergens in de verte (heilige der heilige waar niet-hindu’s niet mogen komen), de hevige pislucht die zich uit donkere hoeken verspreidt, de enorme afmetingen van deze tempel waarin zich op elke vierkante meter wel iets afspeelt, het heilige bad waarin ze zich vroom staan te poedelen, het woedend makende geklieder van witte en rode strepen over antiek beeldhouwwerk heen (alsof het een spoorwegovergang zijn. Als ze die strepen nog recht konden trekken!) en de afschuwelijke restauraties op sommige plaatsen in suikertaartenstijl, het werd me allemaal ineens te veel.

Toen het half negen was geworden en we nog drie kwartier moesten wachten op de dagelijkse processie die langs zou trekken, slofte ik vastbesloten de lange weg terug naar mijn sandalen, liet JW bij de tempel achter en wandelde warrig door de vreemde stad terug naar het hotel.
Noodgedwongen vertrokken uit de westpoort omdat daar mijn sandalen in bewaring lagen, had ik net de oostpoort bereikt, of daar komt de processie aan. Het had maar weinig om het lijf: olifant voorop, dan vier dragers en de kar met het beeld van Shiva en zijn echtgenote, vervolgens een fakkeldrager en tot slot een fluiter die nogal valse, onsamenhangende geluiden produceerde. Niemand die er naar keek, want zo wordt Shiva hier elke avond naar bed gedragen. Alleen de agent had het druk om een vrije doorgang voor de stoet te maken.

Ik had het adres van het hotel op zak, dus mij kon niets gebeuren. Mocht ik verdwalen, dan kon ik immers een rikshaw nemen. Ik passeerde een stofjeswinkel die mijn aandacht trok en nam mij voor om er de volgende dag terug te komen. Geslapen heb ik als een marmot.

speldwoensdag 19 maart 1997

Kleermaker, tempel en antiek

Rust kan wonderen verrichten. We liepen rond een uur of tien richting tempel en spraken af om elkaar om twaalf uur bij de westingang te treffen. Zo kon JW met videocamera de tempel weer in (voor mijn fotocamera te donker), en ging ik op mijn eentje winkels bekijken. Eerst naar de lapjesman van gisteravond. Ik wist precies wat ik wilde: donkerblauwe Maduraise katoen.
De man die mij hielp ging met gekruiste benen op het plankier zitten, ik op de rand ervan. Hij liet hete chai aanrukken en twee hulpjes haalden de halve winkel overhoop. Hoewel ik naar navyblue Maduraise katoen had gevraagd, toonden ze allemaal lappen die ik niet wilde hebben. Ik liet me niet ontmoedigen want ik ken onderhand hun openingszetten. Ze laten nooit meteen zien waar je om vraagt, maar eerst al het andere in de hoop dat je tot impulsaankopen overgaat.
Na veel vijven en zessen (geduld is een schone zaak) kwamen dan de stofjes en kleuren die meer in mijn richting lagen. Toen was de keuze snel gemaakt.

Ik had nog een uur vrij en besloot rond het tempelcomplex te lopen. Vlak bij de eettent van gisteren viel mijn oog op een etalage waarin een prachtige zijden sari op een paspop stond. Een echte sjieke winkel dus, want paspoppen zie je maar weinig. Ditmaal geen stijve zijde met brokaat, maar van die zachte, dunne, gladde, soepel vallende kashmirzijde in een prachtig zich steeds herhalend patroon. Hier zou mijn moeder van hebben gehouden, dacht ik vertederd, en ik stapte naar binnen. Duur naar Indiase begrippen, maar vijfenvijftig gulden voor 7 meter kasjmirzijde was natuurlijk niet zo gek.
Of ik met een visacard of mastercard kon betalen? De hele winkel in rep en roer. Stoel aangesleept. Gaat u zitten bij de airco. Heerlijke stoel en heerlijk koel. Iets drinken ondertussen? Er werd overlegd, er werd gebeld naar diverse adressen. Zo kwam ik mijn tijd uitstekend door. Een dik kwartier later vertelden ze spijtig dat ze niet geautoriseerd waren om geldtransacties per card te doen. Geheel verfrist zonder lapje, zelfs zonder blikken of blozen, de winkel weer uit en hollen naar de westpoort waar JW al stond te wachten. Slippers uit, slofjes aan, tempel in met camera. JW had goed voorbereidend werk verricht en loodste ons (Kees en Irene toevallig tegengekomen) rechtstreeks naar een duizend pilaren hal waarin een museum was ondergebracht. Prachtig, koel en rustig. Schitterende lichtval en eindelijk eens ongestoord kunnen genieten van authentieke beelden, houtsnijwerken, schilderstukken. Genieten, fotograferen, gewoon maar zitten kijken, anderhalf uur lang.

Toen we de hal verlieten was het half twee en bloedheet. De kloostergangen lagen vol met slapers en eters en je had moeite niet over hen te struikelen. We moesten terug naar de westpoort omdat daar onze schoenen lagen. Daarna door de zon weer buiten de muren om het tempelcomplex heengelopen om aan de oostkant te komen. Eerst de zijden sari met contanten halen. De mannen waren blij verrast me terug te zien, JW bedong nog behoorlijke korting vanwege dit feit, en ze wilden ook nog graag poseren voor zijn film.
Toen doken we de antieke arcaden in waar honderden kleermakers achter hun trapnaaimachine zitten te zwoegen. Je zoekt bij een van de standjes stoffen en modellen uit, en dan maken ze binnen een paar uur de kledingstukken op maat. Wat heet. De zijden pijjama die ik lukraak bij een tempel kocht past beter dan het aangemeten kledingstuk, maar een kniesoor die hier voor een tientje op let. Hij is perfect om in te slapen. JW koos zich drie katoenen bloesjes in grappig kleine madrasruitjes, en ik dus die zijden pijjama die op de groei is uitgevallen.

De transactie verliep zoals gewoonlijk nogal vrolijk bij vele bekertjes chai, het enige wat je op straat veilig kunt drinken omdat het goed is doorgekookt. Toen de textiel eenmaal was afgehandeld, kwam het antiek aan bod want toevallig had de lapjeskoopman een broer die in een antiekzaak werkte. Of we mee wilde gaan? Natuurlijk alleen om te kijken.
Kees had ons al gemeld dat de “gerenommeerde” adressen niet meer dan veredelde souvenirwinkels waren waar helemaal niets te genieten viel. Wij waren dus nieuwsgierig waarheen de runner ons zou brengen. Naar de eerste verdieping van een gesloten huis. Van buiten was volstrekt niet te zien dat boven een vrij grote zaak zat. Voor in de zaak stond alleen maar spul uit de antiekfabriek, maar achterdoor had hij mooi oud zilver en een paar mooie beeldjes. De eigenaar kwam uit Ladhak.
Enige uren later (we zijn op de sound & light show van het paleis nooit meer aangekomen) hadden we ook al zijn verborgen schatten gezien. Prachtig, loodzwaar en onbetaalbaar. We waren toen ook in de fase dat hij kashmir thee schonk (licht getrokken groene thee uit de bergen met citroen en cardamom). We spraken en leerden veel over antiek en filosofeerden natuurlijk ook over politiek. Het was een verrassend contact en hij komt ons bezoeken als hij voor zaken in Holland moet zijn. Het zal ons benieuwen.
We verlieten pas om negen uur zijn zaak met drie zilveren knopen (Zuid India) en een armband (Kashmir). Verder met een wollen omslagdoek, fabrikaat van zijn mams. Zijn ouders wonen nog in Ladhak. Vader is antiquair en moeder heeft 18 spinsters en weefsters aan het werk om Pashmeena’s te maken, wat hij het goud van Ladhak en Kashmir noemde. Ik durf niet te zeggen wat zo’n lapje kost, terwijl het er op de keeper beschouwd niet uitziet. Het is vaal en onregelmatig geweven, weegt een pluisje en is warm als de hel. Je koopt zo'n doekje voor het leven. Maar als ik straks in een bejaardenhuis zit onder mijn behaaglijke lapje krijg ik natuurlijk te horen “Mevrouwtje, zullen we dit vod nu maar niet eens wegdoen?”

Geleerd:
1. Fijne wol nooit in zeep wassen maar in water met een scheut citroensap. Hierna een paar keer uitspoelen. Citroen reinigt de wol zonder de vezel aan te tasten. Geldt evengoed voor kashmir en andere tere wollen truien.

2. Kashmir truien of omslagdoeken ’s zomers opbergen in kartonnen doos en vooral niet in plastic. Geen mottenballen of strips gebruiken, maar een zakdoekje besprenkeld met parfum. Parfum doet hetzelfde als mottenballen en -strips, maar de kleren blijven gezelliger ruiken.

We mochten het dakterras nog op om de grote tempeltoren (gopuram) bij avond te bekijken, maar toen we boven kwamen bleek het al te donker. We namen een riksja naar het hotel. Toen we daar kwamen zat de kleermaker van de bloesjes op ons te wachten.
Na deze uitbundige dag en de ontbering van gisteren zijn we eens heerlijk in de wind op het hoteldak gaan eten, maar eerst hadden we nog de kamerboy getroost die de was kwam terugbrengen en zichtbaar voor een praatje bleef hangen. Zijn vader was twee dagen eerder door een bus overreden. Daarom liep hij met een kaalgeschoren kop. Dit was een teken van rouw. Dat de was er niet uitzag van grauwheid en niet of nauwelijks was uitgespoeld, hebben we hem toen maar vergeven, maar we hebben deze kleren nooit meer helder gekregen.

 


Mamalapuram |  Pondicherry |  Kumbakonam |  Tiruchirappalli |  Madurai |  Kodaikanal |  Periyar |  Alleppey |  Cochin |  Kovalam |  AbuDhabi |  Thuiskomst