Zuid India


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Mamalapuram
Pondicherry
Kumbakonam
Tiruchirappalli
Madurai
Kodaikanal
Periyar
Alleppey
Cochin
Kovalam
Abu Dhabi
Thuiskomst

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldvrijdag 14 maart 1997

Van Pondycherri naar Kumbakonam

We mochten niet in het hotel ontbijten omdat het reisbureau hier een vorige keer slechte ervaringen had gehad. Zo liepen wij de straat af naar een luxe hotel waar Ravi ons heen had gestuurd. Van ons had dit niet gehoeven want het was ver boven onze stand, ook wat de rekening betrof. Een ijzig afgestelde airco deed ons verlangen naar een gewone volkstent. Op een bordje fruit moesten we bijna drie kwartier wachten. We zijn er bijna boos weggelopen zonder de rekening te betalen.

Nu we en route zijn hebben we meer contact met onze reisgenoten. Kees vroeg of we allemaal mee wilden om een papierfabriek te bekijken waarin hij geïnteresseerd was. Iedereen vond dit een prima voorstel. Het complex, dat gerund werd door mensen van Auroville, die wel veel goed werk doen in de stad en zorgen voor werkverschaffing, lag op 300 meter afstand, maar we gingen wel met de bus, omdat dit meer decorum had.

Op het fabriekje, waar zo’n honderd mannen en vrouwen aan het werk waren, kon je het hele procédé volgen van lomp tot papier, alles in prachtige kleuren en met toevoegingen als zand, bloemblaadjes, wol en strootjes. Ze maakten er ook postpapier, mappen, boekjes, beplakten harde kaften en er werd papier gemarmerd. Het enige wat min-of-meer machinaal gebeurde was het weken/mengen van de lompen en het snijden van het gedroogde papier. Het scheppen, kleuren, uit de vormen halen, gladstrijken, marmeren, gebeurde allemaal met de hand. Het eindprodukt kostte niets, hoewel er heel wat zweet in zat. Voor tien vellen prachtig gemarmerd, handgeschept papier vroegen ze 28 rupees (fl. 1,40).

Hierna reden we de stad uit over stoffige wegen. Opvallend weer hoe dichtbevolkt het platteland is. Langs de hele weg weer de lage hutjes waarin wij nog geen geit zouden stallen. Er wonen hele families in. Tussen elke paar hutten een hoge tas hooi voor het vee. Het leek er op of elke familie zijn eigen heilige melkverschaffer had. De runderen lopen niet vrij, maar staan vastgebonden bij de hutten. Wel worden ze af en toe aan een lange lijn een uurtje door opa uitgelaten.

Onze chauffeur, Maghal is zijn naam, biedt ons nu aardige plasstopjes aan. Hij is niet zo kinderachtig om ons vanwege zijn provisie telkens naar een kroeg te rijden (zoals Porduman in Noord-India deed). Hij stopte vanmorgen op een kale weg waarlangs een greppel liep, maar hierachter waren voldoende bosjes. Omdat daar meestal veel muggen zitten besloten we de schaamte weer opzij te zetten. Met z’n drieën tegelijk hurkten we neer achter een boom die pal aan de weg stond. We hadden wijde rokken aan.

"Chidambaram is een provinciestadje dat gedomineerd wordt door de enorme tempel voor Nataraja, de dansende Shiva. Het is ieder jaar de ontmoetingsplaats van een oer-Indiaas dansfeest. De tempel, gemeenschappelijk bezit van een groep Brahmanen, is zo groot dat het dagen duurt om alles van binnen te bekijken. Niet Hindu’s kunnen hier een glimp van het heilige der heilige opvangen, hetgeen in andere Indiase tempels ondenkbaar is. Vooral de kleine Murugantempel binnen het complex is zeer interessant."

Om half twaalf arriveerden we bij de tempel van Chidambaram, ooit prachtig geweest, maar door diverse restauraties en zogenaamde verfraaiingen wat verminkt en bedorven. Je moet hier wel vergevingsgezind doorheen kijken omdat de tempel nog wordt gebruikt. Dit houdt in dat men er geen moeite mee heeft veel ornamenten in mierzoete pasteltinten over te schilderen, of van rood-wit gestreepte "balken" te voorzien, zoals bij ons de spoorwegovergangen. Als ze die diagonale rode en witte strepen nog netjes zouden aanbrengen was het tot daar aan toe, maar het zijn nu impulsief schots en scheef aangebrachte eerbetonen die enorm ontsierend werken.

Het was een van die tempels die letterlijk worden belaagd door bedelaars, gidsen en verkopers. Er liepen monniken rond die ons met alle geweld een stip op ons voorhoofd wilden verkopen. Victor, Irene en Heleen lieten zich overhalen, maar Kees en wij sloegen deze eer beslist af.
De gids babbelde maar door in bijna onverstaanbaar Engels en we kregen veel te weinig tijd om de mooie gedeelten rustig te bekijken. De stenen waren gloeiend heet voor Nederlandse blote voeten, zodat we nergens lang konden blijven staan. De zon brandde ongenadig loodrecht boven onze hoofden. Het thermometertje dat ik aan mijn tas had hangen gaf 36 graden aan. Het licht was te onbarmhartig om foto’s te nemen.

Het was een opluchting om weer naar buiten te mogen door de grote poort, onze sandalen aan te trekken, schaduw te zoeken en een lauw colaatje te pakken langs de straat. In geen tijd werden we omringd door zeer jonge, bedelende vrouwen met hongerige baby's op de arm. De uitgestotenen, die niet meer in een kaste worden geduld. Hartverscheurend om te zien. JW wilde een oude man tien rupees in papiergeld geven, maar deze week geschrokken terug. Hij wilde alleen munten, die we niet meer hadden. Muntgeld is veel minder waard. We maakten hier uit op dat bedelaars geen papiergeld mogen aannemen, maar of dit juist is weet ik niet.

Iets verderop en aan de overkant van de weg ontdekte Kees een afdakje waaronder de prachtig antieke praalwagens van de tempel stonden gestald op kolossale, massieve wielen. Dit soort wagens, dat we later in meer plaatsen zouden zien, wordt maar eens per jaar gebruikt. Het snijwerk was fabelachtig mooi, de voorstellingen gedurfd en de houten wagens waren nog puntgaaf ondanks hun hoge ouderdom.

Liters water gedronken en gekocht, en de bus weer in. Stad uit en op het platteland fruit ingeslagen. Enige kilometers verder kregen we een lekke band. Dit euvel was in een kwartiertje verholpen, terwijl wij gelukkig schaduw hadden onder majesteitelijk hoge bomen.

Het tempelcomplex van Gangakondacholapuram, dat we tegen half drie bereikten was een juweel. Een oase van schoonheid en rust. We mochten onze sandalen aanhouden, er waren geen bedelaars, geen verkopers en geen gidsen. Alleen een paar grappige schooljongens die graag hun Engels met ons wilden oefenen. Er heerste absolute stilte en de vogels zongen uit volle borst.
Omgeven door geschoren gazons, bloemperken en palmbomen, die door een vrij moderne installatie werden besproeid, lagen hier vrij gave zandstenen bouwwerken uit de dertiende eeuw waaraan weinig was bedorven. We kwamen helemaal bij op het koele gras onder de palmen, maar moesten na een uur weer terug in de bus voor de laatste kilometers naar Kumbakonam. We vielen eerst uitgehongerd op een toko met koekjes aan, want niemand had na zijn ontbijt iets anders gegeten dan fruit.

"Niet ver van Chidambaram ligt Kumbakonam waar enige opmerkelijke tempels staan, en enkele van de meest indrukwekkende gopurams (tempeltorens) van het zuiden. Ongeveer vijf kilometer buiten Kumbakonam ligt Darasuram waar een van de fraaiste tempels van zuid India te vinden is, gebouwd door de Chola-koning Rajaraja (±1150). Het is waarschijnlijk de best bewaarde en meest gave tempel van heel India."

Kumbakonam bleek een vriendelijke provinciestad die, zoals elke stad in India, stoffig, druk en overvol is. Het hotel is keurig netjes al zijn de bedden van beton en heeft de badkamer een hurktoilet. Ik zat nog niet op de rand van het bed, of sukkelde in slaap en werd pas om zeven uur wakker. JW had ondertussen met de anderen de tempel bekeken. Ze hadden mij niet wakker kunnen krijgen en besloten om mij te laten liggen.

‘s Avonds in het centrum rondgewandeld. Het bleek een luxestad. Elke tiende winkel was een banketbakker met de meest fantastische heerlijkheden, en elke twintigste een drankshop. En dit voor het Zuiden waar nauwelijks een druppel wordt gedronken. Dit alcoholvrije van vrijwel de hele bevolking maakt dat je in het donker ontspannen kunt rondlopen. Ze zullen in het geniep misschien wel eens een slokje drinken, maar gaan met een zatte kop toch niet de straat op.
Enorm veel stoffenwinkels ook, vol met de prachtigste zijde in heldere kleuren. Voor de eigen bevolking bestemd want er zijn hier niet veel toeristen. We liepen voor het eerst ongestoord rond en werden niet door verkopers of bedelaars lastiggevallen. Wel door nieuwsgierigen die wilden weten waar we vandaan kwamen. Als we dit vertelden riepen ze trots "Gullit, Van Basten". Jammer dat we morgen alweer vroeg vertrekken want dit zou een plaats zijn om langer te blijven.

Heleen en Victor, die later waren thuisgekomen dan wij, hadden tegenover het hotel een dode man op straat zien liggen. 's Morgens werd hij met zijn schamele bezittingen in een doek gewikkeld en op een baar gelegd. Het ging er eerbiedig en respectvol toe. Hij werd bestrooid met witte bloemetjes.

 


Mamalapuram |  Pondicherry |  Kumbakonam |  Tiruchirappalli |  Madurai |  Kodaikanal |  Periyar |  Alleppey |  Cochin |  Kovalam |  AbuDhabi |  Thuiskomst