Zuid India


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Mamalapuram
Pondicherry
Kumbakonam
Tiruchirappalli
Madurai
Kodaikanal
Periyar
Alleppey
Cochin
Kovalam
Abu Dhabi
Thuiskomst

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldvrijdag 28 maart 1997 (goede vrijdag)

Per trein naar Kovalam

De wekker op half vijf want rond zes uur gaan we per rikshaw naar het station. Alles loopt gesmeerd, behalve het ontbijt dat de avond tevoren al door Ravi is besteld, maar helaas pas om drie minuten voor zes verschijnt. We weigeren het te eten, laat staan het te betalen. Na deze beslissing grist Heleen de sneetjes slappe toast mee, want zoals altijd sterven Heleen en Victor van de honger. Ze smeert er vliegensvlug wat jam op en pakt ze in een servetje.

Het station van Cochin blijkt een stuk minder chaotisch dan dat van Varanasi en Calcutta. Het gaat er nogal ordelijk toe. We kopen koekjes en chips die respectievelijk mierzoet en weinig zout zijn, en de trein rolt op tijd binnen. Helaas is het Ravi niet gelukt om plaatsen in de eerste klas te reserveren, dus brengen we vier uur door op harde houten bankjes. Te slapen valt hier niet, maar te kijken des te meer. In plaats van ruiten zijn er tralies, dus we waaien lekker door.

De rit is ontzettend leuk en geeft een mooi beeld van dit waterrijke gebied. Kerala is de rijkste provincie van India, hetgeen goed te zien is. Veel visvijvers en plantages van voornamelijk kokosnoten. Het woord Kerala betekent ook kokosnoot. We zien ook meerdere processies want het is goede vrijdag en een groot deel van de bevolking is katholiek.

Op het station van Trivandrum staat tot onze verrassing Maghal ons op te wachten met de inmiddels zo vertrouwd geworden bus. Met zijn krachtig optreden heeft hij in een mum van tijd dragers geregeld. De tocht naar Kovalam duurt ongeveer een uurtje, maar gaat over de ellendigste weg die we in India ooit hebben gezien. Naar Indiase begrippen een soort “autoroute”, maar omdat zich hier alles in volle vaart op voortbeweegt, ook dodelijk onveilig. Er wordt volop aan de weg gesleuteld. Overal liggen grote hopen keien die door vrouwen met een hamertje tot kleine stukjes geslagen moeten worden. Vrouwen doen het zware werk in de bouw.

Kovalam aan zee was anders dan wij ons van een badplaats hadden voorgesteld. Om te beginnen kon je ons hotel alleen over het strand bereiken. De bus werd daarom bovenaan een steile weg uitgeladen en Maghal ronselde dragers. We namen afscheid van hem en holden achter de kruiers aan die onze koffers op hun koppen droegen. We liepen een paar honderd meter over het strand met nogal zwart zand en sloegen toen een stinkend steegje in. Links was de grond niet bebouwd. Hij werd gebruikt om afval te storten en lag bezaaid met plastic zakjes. Rechts stond een rijtje woningen, en een van de laatste hiervan bleek ons hotel.

We kregen kamers met een klein balconnetje op de eerste verdieping aan een galerij. In Kovalam hing dezelfde kletsnatte warmte als in Cochin, maar er stond aan het strand een heerlijk briesje. Uit de wind (dus vooral in de kamers) was het echter nauwelijks te harden. We hadden in no time weer geen droge draad meer aan ons lijf. Uit zuinigheid bleek de molenwiek boven het bed alleen maar ’s nachts te werken. De kamer was zo krap dat onze koffers niet open konden blijven liggen. Wel viel er een waslijn te spannen van kastroede naar gordijnrail, hard nodig omdat er zelfs geen stoel was om kleren overheen te hangen.

Het balkon lag, evenals de gallerij, volkomen uit de wind. Je kon dus het beste op een van de vele terrasjes gaan zitten langs het strand, die tussen kleermakers en Kasjmirwinkes lagen ingeklemd. Blootgesteld aan talloze strandverkopers met matjes, lapjes, sieraden, ananassen en ander fruit, sigaretten en Rajastan kleden lukte het niet om ook maar één bladzij te lezen, maar de fruit juices en pan cake’s waren heerlijk en er werd zelfs friet gebakken. Medetoeristen bestonden voornamelijk uit jonge hippies of welgedane Duitsers waarvan sommigen op het strand gingen liggen bakken. Na een uur waren ze dieprood, maar niet van schaamte, al werden ze door de lokalen meewarig uitgelachen.

We amuseerden ons kostelijk met naar de visserslui kijken. Het strand lag in een diepe kleine baai. Voor dag en dauw waren de prauwen, volgeladen met net en touw, al uitgevaren terwijl er één eind van het touw op het strand achterbleef. Als een bootje ver genoeg was uitgeroeid en open zee had bereikt, liet men het sleepnet in het water zakken. Op het strand begonnen een paar mannen aan het touw te trekken. Naarmate het slepen zwaarder werd kwam er meer hulp opdagen. Tot er wel twintig man bezig waren. Ze zongen van: een-twee-haal-op en ze trokken zich een ongeluk. Het duurde dan ook eeuwen voordat een net het strand bereikte. Soms zat het vol kleine zilveren visjes die in de zon werden gedroogd, soms zaten er grote vissen tussen die meteen door de hotels werden opgekocht. Soms had al deze energie helemaal niets opgeleverd.

Rond een uur of vier maakten we een eerste wandeling via het strand naar het dorp met zijn vele kleine winkeltjes en kleermakerijen, maar we kochten niets anders dan twee rode bananen die we op een muurtje in de schaduw aten. Voor elk winkeltje stond een runner te schreeuwen dat we binnen moest komen. We negeerden hen en bekeken de etalages meer uit amusement dan uit interesse.
Terug naar het terras van de tent die onze stamkroeg was geworden. We bestelden een ””sizzler”” en kregen een gloeiende plaat waarop een moot stevige vis lag te spetteren onder een bedje van friet. Het was weinig Indiaas, maar smaakte geweldig.

speldzaterdag 29 maart 1997 (paaszaterdag)

Kralen en een ringetje

Om acht uur ’s morgens bleek de temperatuur heerlijk dus iedereen haastte zich naar het strand om te zwemmen en ontbijten met (eindelijk!) fruitsalade, vers vruchtesap en heerlijke maispannekoekjes. JW bleef op het terras zitten lezen terwijl ik langs de strandwinkeltjes slenterde om een kleermaker te zoeken die aardig kon naaien. Dit was nog een heel karwij. Als het naaiwerk aantrekkelijk leek, waren de stoffen niet naar mijn smaak, en als ik een aardige stof vond waren de modellen niet wat ik wilde. De meeste, had ik al gezien, maakten er een puinhoop van: scheef gestikte naden, slecht afgewerkte zomen, rafels en zo. Nu kun je voor een maakloon van zeven gulden ook geen haute couture verwachten.

Ik zocht eindelijk stofjes uit bij een zaakje met aardige modellen en liet een jurk en een bloesje maken. Ze zouden om vijf uur al klaar zijn. Hierna wandelde ik uiterst tevreden over het zwarte strand naar de geasfalteerde weg waar ik gisteren een Ladakhse winkel had ontdekt waar kralen lapis en turkoois los werden verkocht. Ik wilde het zilveren kettinkje waarmee het snoer uit Mamallapuram sloot graag door kralen vervangen.

De man uit Ladakh was typisch Ladakhs en we hadden meteen contact. Hij haalde zakken vol kralen tevoorschijn en ik mijn mooie snoer. We kozen zorgvuldig goedkleurende stenen uit en toen bood hij aan om de ketting te rijgen. De kralen waren niet erg duur, dus ik dacht: nu gaat hij mij pakken maar dit was niet zo. Hij deed het voor niets, al babbelend tijdens het rijgen. Ik vertelde hem dat ik vaak mijn eigen kettingen reeg en hij leerde me nog enige fijne kneepjes. Zo had ik mij vaak afgevraagd hoe zij een naaldje maken aan een dun draadje zijde. Hij gebruikte er een stukje elektriciteitssnoer voor, waaruit hij een koperdraadje peuterde. Bij het afhechten smeerde hij wat Arabische gom op de draad voordat hij er knoopjes in legde.

Al pratend wilde hij weten hoe ik aan de aquamarijn kwam die ik om mijn hals droeg. Van mijn oma geërfd, loog ik, want ik had hem jaren geleden voor een paar gulden op een veiling gekocht. Vooral de zetting vond hij prachtig en hij constateerde terecht dat ik van oude dingen hield. Hij dook onder de toonbank en kwam weer boven met een hele zak vol witte pakjes. De bekende papieren pakjes waarin juweliers in heel India hun schatten bewaren. Hij vouwde heel wat papiertjes open en meteen weer dicht zonder dat ik de inhoud kon zien. Hij was naar iets speciaals op zoek. Toen vond hij het: een antiek ringetje met robijn en saffier waardoor ik op slag betoverd raakte. Ik kon het niet laten om naar de prijs te vragen want ik had nog wat geheime dollars.

Op de terugweg Irene tegengekomen en samen nog wat rondgeslenterd. Jurk en bloesje opgehaald en de jurk voor het eten aangetrokken. Met Irene en Kees in onze stamkroeg blijven eten. Eindelijk weer eens iets dat bijzonder lekker was: inktvis in veel ui met sambal gebakken. De jurk leek nergens naar. Zolang ik onbeweeglijk stond zat hij nog goed, maar zodra ik ging zitten kierde hij aan alle kanten.

speldzondag 30 maart 1997 (pasen)

Drie mannetjes uit Ladakh

Lekker vroeg op pad, maar de kleermaker was nog niet open. Naast zijn winkel was ook een terras, dat er trouwens zeer sjiek uit zag en we gingen daar ontbijten. De fruitsalade smaakte er rot en door het vruchtensap zat water. De kleermaker had me herkend, kwam vragen of er iets niet goed was en beloofde de schade te herstellen.

Uren naar de vissers zitten kijken en naar de lokale bevolking die op de vrije pasen een dagje strand deed. Eindelijk weer eens lekker sari’s kijken. Aan de noordkant van het strandje rondgeslenterd en een leuke doek met olifanten gekocht. De handel tierde welig vanwege de vele bezoekers. Veel prachtige, zware lappen uit Rajastan met spiegeltjes en patchwork. Te zwaar om mee te nemen. Jammer.

Later op de middag met JW teruggegaan naar de Ladakhman want die was nieuwsgierig geworden. Dit hadden we beter niet kunnen doen want er was weinig inleiding nodig om de vriendelijke man weer onder de toonbank te krijgen. Hij kwam boven met een paar schitterende Moghulprenten en drie prachtige mannetjes uit Ladakh. Verder nog met een Ganeshi die wel niet antiek was maar wel erg mooi.
We kregen Kashmirthee met cardamom en kaneel, een drankje dat alleen aan vrienden wordt geschonken. Ik vroeg hem de oren van het hoofd over allerlei hele- en halfedelstenen die ik nooit eerder had gezien, en hij haalde vanalles tevoorschijn. Ik kocht tenslotte de ring die hij ’s morgens al had laten zien en JW verliet de winkel ook met enige schatten. Gelukkig waren zijn prijzen uitgesproken redelijk.

Omdat we weer eens geen geld op zak hadden liep zijn jongste broertje mee naar het hotel. We lieten hem onze rommelige kamer binnen met de gespannen waslijn en hij vroeg meteen een cigaret omdat hij niet mocht roken van zijn broer. Terwijl hij genietend op de rand van JW’s bed zat te paffen vroegen we of hij soms wat Hollandse spullen wilde hebben die niet meer in ons koffer pasten zoals zakjes expresso, bouillon, douchezeep, sjampoo, talkpoeder en kleine sigaartjes. Dit wilde hij best. Ook mijn jeans bermuda die tot op de draad versleten was? Ik kreeg spontaan twee dikke zoenen. We stopten alles op zijn verzoek in een ondoorschijnende plastic zak, en hij ging er opgetogen weg. Na vijf minuten was hij weer terug: in de opwinding was hij vergeten het geld mee te nemen.

We moesten ons haasten want om zeven uur gingen we gezamenlijk eten om afscheid van Ravi te nemen. Iedereen zat al te wachten. De maaltijd, in een deftig hotel, duurde uren. Ravi was snotverkouden en koortsig, Kees had weer last van zijn ingewanden, Heleen zag er doodmoe uit en de bedienig leek nergens naar. Om elf uur waren we terug in het hotel waar we nog koffers moesten pakken. De wekker moest op half vijf.

 


Mamalapuram |  Pondicherry |  Kumbakonam |  Tiruchirappalli |  Madurai |  Kodaikanal |  Periyar |  Alleppey |  Cochin |  Kovalam |  AbuDhabi |  Thuiskomst