Zuid India


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Mamalapuram
Pondicherry
Kumbakonam
Tiruchirappalli
Madurai
Kodaikanal
Periyar
Alleppey
Cochin
Kovalam
Abu Dhabi
Thuiskomst

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldzondag 9 maart 1997:Mamalapuram

"Even ten zuiden van Madras ligt een van de opmerkelijkste steden van heel India: Mahabalipuram. 1500 jaar geleden was dit de havenstad van Kanchipuram van waaruit Indiase goederen, cultuur en religie werden verscheept. De cultuur op Bali is hierdoor bijvoorbeeld sterk beïnvloed.
Nu is het nog een slaperig vissersdorpje, hoewel de vroegere glorie nog altijd te zien is. Er is een rotswand die geheel bedekt is met prachtig beeldhouwwerk, het grootste ter wereld. Op het strand staat nog een kleine, maar zeer fraaie tempel.
Er is een kunstacademie in Mahabalipuram en er lopen enkele zeer goede beeldhouwers rond die vakkundig gemaakte Shiva’s verkopen. Als je er een mee naar huis kunt nemen, dan ligt hier je kans voor een koopje..."

Tikketik tikketik klinken onvermoeibaar de beitels de hele dag door. Het is elf uur ‘s avonds, maar nog even venijnig klinken de klopjes van ijzer op steen. In Mahabalipuram, of Mamallapuram (de moderne naam) is, net zoals in Agra, het ambacht van steenhouwen eeuwenlang van generatie op generatie doorgegeven. Op alle weggetjes rond de tempels waarvan er hier nogal wat zijn worden -stalletje aan stalletje- beeldhouwwerkjes verkocht in alle soorten en maten, maar wel allemaal hetzelfde. Met de hand gemaakt volgens oeroud recept. In het zweet des aanschijns zult gij uw brood verdienen. Het is niet te begrijpen hoe hiermee brood te verdienen valt, al blijkt Mamallapuram opdrachten uit de hele wereld te krijgen voor restauraties van tempels. Verder blijkt deze plaats ook weer een bedevaartsoord voor Hindu’s te zijn, met als bijzondere attractie de zee.

We zijn vanmorgen rond 9 uur aangekomen na een reis van ruim zestien uur en eerst gaan slapen. Over het vliegtraject Amsterdam-Muscat hadden we trouwens niet te klagen. De slanke boing 767 had zoveel lege plaatsen dat we languit konden liggen. In Muscat, waar niets te beleven valt, moesten we twee nachtelijke uren wachten voordat we konden overstappen op een kleine airbus naar Madras die tot de nok toe vol zat. Er was te weinig plaats voor handbagage en de stoelen waren niet berekend op westerse maten. Voor vertrek werd het toestel grondig ontsmet (restant van Engels puritanisme?) door twee bussen verdelgingsmiddel lukraak in de ruimte leeg te spuiten. We hapten naar adem en het paar weken oude baby’tje hield prompt op met huilen.

Van Madras, waar we met een busje werden opgehaald door onze lokale gids Ravi, hebben we niet veel gezien omdat we meteen 60 kilometer zuidwaarts reden naar Mamallapuram. Madras maakte, zoals trouwens alle Indiase steden, op het eerste gezicht een buitengewoon gore indruk. Uitlaatgassen, straatvuil, open riolen, roetspuwende bussen en motorrikshaws, zwervers, koeien en geiten. Roofvogels en kraaien boven de stad. Echter geen gieren zoals we vaak in het Noorden zagen. Ik moest de eerste uren echt weer aan India wennen. Ons hotel in Mahabalipuram leek aanvankelijk ook ver beneden de maat, maar na een wandeling door de omgeving beseften we dat het uitgesproken goed was. Later bleek dit hotel trouwens het beste restaurant te hebben van de hele reis.

We reizen in gezelschap van twee jongere koppels met wie we dus alles en niets te maken krijgen. Alles, omdat we samen een gezelschap vormen, en niets omdat iedereen er voorlopig nog voor kiest om zijn eigen gang te gaan. Beter zou het niet kunnen.

Mamallapuram is een bedevaartsoord met tempels aan zee. Het geestelijke kan hier met het wereldse verenigd worden. Bij busladingen komen Indiase families van heinde en ver om de wonderen te aanschouwen en om souvenirs te kopen. Een familie bestaat uit talloze personen: opa’s, oma’s, ooms, tantes, neven en nichten. Hun monden vallen open bij het zien van de zee, al valt er aan strandplezier niet veel te beleven want de zandvlakte is openbaar toilet. Men blijft dan ook in grote drommen geruime tijd aan de waterlijn staan om met eerbied naar de golven te kijken. Dapperen (meestal vrouwen) wagen zich voorzichtig een eindje in de branding met sari en al, want de kuisheid verbiedt om de rokken op te tillen. De dunne stofjes wapperen trouwens snel droog.

India is weer een lust voor het oog. De mensen zijn prachtig met hun donkere huid waartegen alle kleuren en (edel)metalen schitterend afsteken. Arm of rijk, de vrouwen zien er altijd verzorgd en fris gewassen uit. Oorbelletjes in, een diamant of gouden knopje in de neusvleugel, een fijn kettinkje om de hals en aan beide polsen en enkels vele gouden, zilveren of gekleurde banden.
Goud op een varkensroze huid moest eigenlijk verboden worden want het is geen gezicht.

Mannen dragen een blauw geruite (Madrasruit) lendendoek, overdag dubbelvouwen zodat hij tot boven de knieën reikt. Bij het vallen van de avond wordt het opgeknoopte deel neergelaten. Dan dragen ze hem als lange rok.
Gehuwde vrouwen lopen altijd in sari. In deze streek wordt er vaak nog een voilen doek in contrasterende kleur over één schouder geslagen en rond de heupen vastgeknoopt. Misschien vanwege de zeewind? Het losse eind van de sari, dat in het Noorden meestal losjes over hoofd en schouder wordt gehangen, zou hier meteen loswaaien.
Veel jonge moslimmeisjes dragen elegante, hes-achtige jurken tot op de kuiten en hieronder nog eens een lange pofbroek van dezelfde stof. Nu zijn alle stofjes erg dun, dus met de warmte valt het wel mee.

Dit levende lapjes bekijken is een feest. Er zijn duizenden dessins en minstens evenveel kleuren. De meeste sari’s zijn van katoen, maar hier wordt, meer dan in het Noorden, ook zijde gedragen. Vrijwel elke sari is afgezet met een brede sierband in contrasterende kleuren of goudbrocaat. De vaak gewaagde kleurcombinaties zijn prachtig. Oude vrouwen hebben stofjes waarvan de kleuren door ouderdom zijn verbleekt. Die zijn het mooiste.
Onder de sari wordt een nauwsluitend topje gedragen met diep uitgesneden hals en zeer strakke mouwtjes. Het bloesje reikt tot net onder de borsten. Blote buik is normaal, terwijl blote kuit absoluut ongepast is. Je vraagt je af hoe ze zich in zo’n bloesje kunnen bewegen, want het zit overal even strak. Veel oude vrouwen dragen geen topje onder hun sari.

Het is een wonder hoe sterk die dunne stofjes moeten zijn want elke dag worden ze gewassen en hierbij gaat het niet zachtzinnig toe. De minstens zes meter lange lappen worden tot een handzaam formaat gevouwen, en dan wordt er hard mee op een gladde steen geslagen of op een traptree aan de kade. Eindeloos gaat dit slaan door. Eerst met dik schuimend sop en later met water. Het water is opmerkelijk zacht, hoe vies het ook is.

Vanavond krankzinnig duur gedineerd in het hotel. We waren te gaar om buiten de deur iets te zoeken, maar het was verbazend lekker. Het prachtige ijsje kostte wel tweemaal een hoofdgerecht en de rekening bedroeg dan ook 200 rupees voor ons samen, zonder drank wel te verstaan want alcohol wordt niet geschonken. Nu is 200 rupees een Hollands tientje, maar hier is een tientje een vermogen.

speldMaandag 10 maart 1997

Fiets gehuurd

Om vijf uur klaarwakker, steenkoud en verkouden door de draaiende wiek boven ons bed die je beter niet kunt uitzetten vanwege de muskieten. De kashmir omslagdoek uit de koffer gehaald en over mijn laken heengelegd; niet vergeefs meegenomen.
Ergens begint iemand trompet te spelen in de donkere tropennacht, maar zijn solo is van korte duur. Eerst valt één hond blaffend in, even later een koor dat steeds meer leden telt. Dan gaat bassen, blaffen en keffen plotseling over in gehuil. Het uur van de wolf. Hier valt voor de trompetter niet meer tegenin te blazen.

Om de muskieten uit de slaapkamer te lokken hebben we op de badkamer het licht aangehouden. Ik ga een plas doen en word meteen in mijn achterste gestoken. Eigen schuld dikke bult. Hoe vaak heb ik anderen niet aangeraden om met name hun billen met anti-muggenspul in te smeren. De wc is altijd en overal de meest verraderlijke plek voor muskieten.

Gisteren hebben we op een eerste wandeling al een glimp opgevangen van de granieten tempels waarom Mahabalipuram beroemd is. De tempels zijn niet gebouwd, maar in de 6de - 8ste eeuw uitgehouwen uit de natuurlijke rotsformaties waaraan Mamallapuram zo rijk is. Waarschijnlijk heeft men in de bizar gevormde rotsen iets goddelijks gezien.
De kunst van het uit rotsen houwen hebben we ook in Jordanië (Petra) gezien. Dit deed er wel iets aan denken, maar hier was het geen gelaagde, zachte steen maar bikkelhard graniet. Vooral de gebeeldhouwde kolommen waren indrukwekkend. Ze waren uiteraard naadloos verbonden met vloer en plafond. Voorlopers van de Dravidische zuilen, las ik in de reisgids.

Uit enkele hoge, gladde rotswanden waren dierfiguren uitgestoken in reliëf. Van verre afstand dacht ik dat het kitsch was, een soort Madurodam, want het zag er stralend en glad uit en had niets te lijden gehad van erosie. Maar het bleek authentiek zodat je er stil van werd, al zal er misschien wel eens iets aan gerestaureerd zijn. De voorstellingen zijn zo levensecht en tijdloos, dat ze nog wel een paarduizend jaar modern blijven.

We huurden fietsen om sneller van de ene tempel naar de ander te kunnen gaan, en begonnen bij een klein tempelcomplex dat bewaakt werd door een levensgrote granieten olifant die op een afstand bedrieglijk echt leek. Hij stond op een vreemde plaats ten opzichte van de hem omringende kleine tempelgebouwen. Het duurde even voordat we beseften dat daar toevallig de rots had gelegen waaruit hij was gehouwen. We mochten het complex niet betreden voordat we een plechtig document hadden getekend. Het was een oorkonde op naam die verluchtigd werd met vele handtekeningen en stempels. We moesten er ook een hele tijd op wachten. Elke Indiër is dol op ambtenaartje spelen.

Ook hier waren de voor heel Zuid India kenmerkende pilaren te zien die Dravidische zuilen worden genoemd, naar de regeerperiode van India’s machtigste Hindu-vorsten: het zijn pilaren die door dieren in hun bek worden gedragen. Er was nogal wat gerestaureerd. De erosie pal aan het strand is natuurlijk enorm.

Omdat de overweldigende Zonnetempel uit Konark (of Konorak: dertiende eeuw) nog diep in mijn geheugen stond gegrifd , kon ik in het begin nog niet erg genieten van de Mamallapuram-tempels. Idioot natuurlijk, want je kunt ze niet met elkaar vergelijken. De monumenten hier zijn aanzienlijk ouder en van een totaal andere stijl.

We waren net uitgekeken toen bussen vol Indiase bezoekers arriveerden; hele families, ouden van dagen, vrouwen en schoolgaande jeugd met hun guru's. De jonge meisjes waren uitbundig gekleed in felgekleurde jurken met pofbroek. Ze droegen rinkelende bandjes aan beide enkels en polsen en de meesten hadden bloemen in hun zwarte haar. Wie geen bloemen had droeg een sluier. Toen ze merkten dat wij foto’s en film maakten, wilden ze allemaal poseren. De meester in het midden, en alle meisjes er omheen.

Ondertussen was de koperen ploert boven ons hoofd op volle sterkte gekomen. We dronken een lauw drankje buiten het tempelcomplex, bekeken nog even het arriverende kijkersvolk en vluchtten vervolgens terug naar het hotel want we waren nog niet geacclimatiseerd. We sliepen een paar uur en fietsten om half vier de plaats weer uit om nog een paar tempels te bekijken. We werden doorlopend aangesproken en nageroepen door verkopers en bedelaars. Een geit kwam lieve kopjes geven en aan mijn tasje knagen, maar werd te opdringerig. Een voorbijganger schoot te hulp want het had weinig gescheeld of ik had een kopstoot in mijn achterste gekregen.

We zouden ergens ver weg vis gaan eten maar hadden, door het overmatig transpireren, geen puf meer om na het inleveren van de fietsen nog een eind te lopen. Weer in het hotel blijven eten, op de oprit waar het ’s avonds tjokvol zit. Na het diner worden de tafels en stoelen weer opgeborgen. Overdag staan er vrachtwagens te lossen en verraadt niets dat je hier ‘s avonds zo knus kunt zitten en ontzettend hoffelijk wordt bediend. We maken een praatje met de chef, die uit Rajastan blijkt te komen. Hij heeft zijn opleiding in Frankrijk gehad, maar vond daar de leefwijze te materialistisch.

De hotelkamer is ruim en zelfs schoon. Voor de ramen zijn horizontale spijlen aangebracht tegen inbraak. Je kunt er prima je was over drogen. Het bed is uitstekend, maar er is aan het hoofdeinde een plank tegen de muur bevestigd. Die zit zo stom laag, dat je niet rechtop in bed kunt zitten.

spelddinsdag 11 maart 1997

Uitstapje naar Kanchi

We hadden besloten om ons voorlopig maar niets aan te trekken van onze reisgenoten en op eigen gelegenheid naar Kancheepuram (Kanchee) te gaan, 65 kilometer westwaarts. We vroegen Ravi hoe we dit moesten aanpakken en hij wilde wel met ons mee. Hij organiseerde voor 700 rupees (fl. 35) een taxi voor de hele dag die overal op ons zou wachten en ons dus ook weer terug zou brengen. We vertrokken om acht uur in een prikkelende ochtendkoelte.

Kanchee is een van de zeven heilige steden van de Hindu’s. Ooit was het een imposante koningsstad, waarvan de breed aangelegde toegangswegen nog getuigen. Stel je van deze brede straten echter niet veel voor, want zoals overal is het een stoffige chaos van stalletjes, sloppen, open riolen met een variëteit aan koopwaar. Alleen de verkeersbaan is breder, en hierover bewegen zich honderden fietsers, voetgangers, riksja’s, bussen, koeien, handkarren, ossewagens en een enkele personenwagen uit de jaren zestig.

Voordat we Kanchee bereikten passeerden we sawa’s, steenbakkers en suikerrietplantages. De mensen hier zijn zeer donker gekleurd; sommigen zijn nog zwarter dan negers. Opvallend is dat hun huid prachtig glanst, evenals hun volle zwarte haar. Het kunstig ingevlochten haar van de schoolmeisjes glimt ook als een spiegel. Jonge meisjes dragen hun haar in twee vlechten. Soms zijn die dubbelgeklapt en met strikken opgebonden. Oudere meisjes dragen een lange, opvallend dikke vlecht op hun rug. Bijna iedereen heeft bloemen in het haar.

De ossen zijn hier mooi en goed gevoed. Ze zullen ook wel heilig wezen, al dienen ze de mens tot tractor. Hun imposante hoorns worden fraai beschilderd wat ik nog nergens anders heb gezien. Soms in effen kleuren, een hoorn rose en de andere groen bijvoorbeeld, soms zijn ze als kunstwerkjes prachtig met bloemetjes of randjes beschilderd. Van zeer welgestelde ossen zijn de hoornpunten beslagen met goudkleurige kegels waaraan soms nog kleine belletjes hangen. Volgens mij moeten ze voelen dat ze mooier dan anderen zijn, want ze lopen er buitengewoon waardig bij.

De variatie aan schooluniformen, zowel voor jongens als meisjes, is verbluffend. Blauwe, groene, rode, grijze. Er zijn veel kleine jongetjes die naar Engels voorbeeld met een dasje lopen. De meisjes dragen sari’s of lange rokken in een voorgeschreven kleur en stofje, en alles loopt op blote voeten. Slechts enkele kinderen hebben rubberen slippertjes aan.

In Kancheepuram de drie mooiste Vishnu-tempels bekeken uit de Pallava-tijd, 8ste eeuw, die ik voor geen goud had willen missen. De eerste twee van graniet, de derde van zandsteen. Konark raakt eindelijk op de achtergrond bij het zien van de overweldigende hoeveelheid zuilen. Elke tempel in het Zuiden heeft schijnbaar zijn eigen "duizend pilaren hal". Meestal zijn het leeuwen die de pilaren in hun opengesperde muilen dragen.
Elke zuil is gehouwen uit één brok graniet, of liever gezegd, de rots is op zo'n kunstige wijze uitgehold, dat de pilaren zijn overgebleven. In een van de tempels hing een lange ketting van het plafond naar de vloer, waarvan de schakels ten opzichte van elkaar konden bewegen. De grappenmaker die dit heeft bedacht moet er een levenstaak aan hebben gehad.

De kloostergangen rond de duizend pilaren hal van de tweede tempel werden helaas ontsierd door slordige witte schilderingen die met behulp van een rijstepapje door een kleine dienstmaagd werden aangebracht. De gids was hier reuze trots op. Hem ontging het bijzondere van de pilaren waarvoor wij juist kwamen. Hij kwetterde aan een stuk door over details die ons totaal niet boeiden. Toen hij ons plechtig naar een opkamer bracht waar, temidden van pastelkleurige kitsch, twee Brahmanen zaten die ons een stip wilden geven, dankten we hem beleefd. De deuren van dit kamertje waren zeer oud en prachtig, maar die hadden ze nog nooit goed bekeken. Ook de Brahmanen stonden er tenminste verbaasd naar te staren toen we hen hierop wezen.

Ravi had ondertussen begrepen dat we niet dol op gidsen waren en liever in ons eigen tempo rondkeken. Er zijn zoveel sagen en mythen rond Vishnu en Shiva, dat je ze beter kunt lezen dan horen. Onthouden doe je ze toch niet zo snel en het Engels van Indiërs is vaak nogal moeilijk te verstaan. Bij de derde, de zandstenen tempel, sloeg hij de gids daarom af, wat bijna in ruzie ontaardde.
Men wees ons woedend op een bord dat van overheidswege was neergezet. Hierop stond dat betreden van het complex zonder gids was verboden! Ravi gebaarde ons echter dat we snel door de poort moesten schieten, en toen konden we een tijdje ongestoord genieten. De wachters, ook niet mis, stuurden ons even later drie kinderen achterna, kleine gidsjes in de dop van een jaar of tien, die ons maar bleven plagen: look mister, here! look madam, there, take picture! en het onvermijdelijke “give me pen, give me chocolats, give me candy, give me money!”. Gelukkig hadden we driekwart van de fraaie gaanderij al bekeken. De rest lieten we zitten. De zon begon trouwens weer aardig te schroeien.

Tegen twaalven bracht Ravi ons naar een veel te deftig restaurant. Hij wil ons steeds maar het beste van zijn land laten zien. We waren te vroeg voor de maaltijd en konden er nog niets te drinken krijgen. Omdat Kancheepuram als oude koningsstad de zijdestad van het zuiden was (en schijnbaar nog altijd de mooiste zijde van heel India maakt) lieten we ons, om de tijd wat te doden, naar een van de vele handweverijen rijden. We kregen de traditionele rondleiding en mochten een plas doen op een gloednieuw toilet wat duidelijk een grote eer was. De weefsels waren prachtig en ik moest me beheersen om geen handgeweven sari met goudbrocaat te kopen waarop vier maanden was gewerkt. Helemaal met lege handen kwamen we echter niet buiten. Ik kocht wat zijde aan de meter om kussentjes van te maken.

Na een lichte lunch van chapatti met raita teruggereden via de foeilelijke Eagle Temple, hoog op een rots gelegen, waarop Ravi erg trots was. Vijfhonderd treden voeren naar een heilig gebouw dat nog door monniken wordt bewoond. Er zit een aderlaarsnest op de top en de legende wil dat de adelaars elke nacht op en neer naar Varanasi vliegen om heilig water uit de Ganges te halen. We hadden Ravi gelukkig ‘s morgens al verteld (hij wilde er toen al heen) dat van beklimmen geen sprake zou zijn. We moesten wel foto’s van hem nemen, hetgeen vanwege het tegenlicht volslagen onmogelijk was. Ik deed maar net of ik knipte.

Thuisgekomen hadden we nog uren pret met een tros hele kleine druifjes die we in Kanchee op straat hadden gekocht. Hoe krijg je druiven gewassen? Het was wel het stomste fruit dat we konden kiezen.
JW knipte een lege waterfles doormidden om een grote beker te krijgen. Hij plukte alle druifjes van hun steeltje en deed ze er in. Toen goot hij water uit een andere fles in de beker en roerde de druiven met een lepeltje door elkaar. De wasbeurt werd een paar keer herhaald en we aten de druiven met het lepeltje. Ze smaakten heerlijk.

speldwoensdag 12 maart 1997

Laatste dag in Mamalapuram

Een rit van tweemaal 65 kilometer en het bekijken van drie tempels in de blakende zon had ons behoorlijk afgemat. We sliepen een gat in de dag en lummelden de morgen door op onze kamer, schreven briefkaarten, deden een wasje en pakten onze koffers want morgen vertrekken we.
Tegen drie uur waagden we ons buiten met een knorrende maag. We hadden niets anders gegeten dan een klein banaantje. We vonden een schamele eettent tussen de vele winkels zoals er hier duizenden zijn. Hier vroegen we een “dosi”, een Indiase pannekoek die meestal met een linzensausje en kruidenpasta wordt opgediend.

Op een bakplaat buiten werd beslag gegoten, waarin eens flink met de hand werd geroerd omhet goed te verspreiden. De pannekoek werd opgediend met de vriendelijke vraag of we er soms een visje bij wilden hebben. We hadden de gerookte visjes al buiten op een blad zien liggen, ten prooi aan vele vliegen, en sloegen ze beleefd af. We rolden ons pannekoekje op om in de curry te dopen en wilden er juist in happen toen de enige andere gast in de hut zich met ons bemoeide. Hij zei in gebrekkig Engels: “Niet zo! Kijk naar mij hoe je een dosi moet eten, en neem er vooral een visje bij want die is hier vers en heerlijk.”

Vooruit dan maar. We namen samen één visje dat nog even op de bakplaat werd verhit en aten dit met de handen. Het smaakte goddelijk. We leerden dat we de linzensaus over de pannekoek heen moesten gieten. Met drie vingers van de rechterhand plukten we daarna stukjes van de pannekoek, wat helemaal niet meeviel. Van de stukjes, die lekker in de curry werden gesopt, moesten we balletjes kneden die we onze mond inschoten. Je mag met je lippen namelijk niet je vingers raken.
Indiërs drinken ook vaak uit koppen en glazen zonder hun lippen aan de rand te zetten. Ze gieten de vloeistof behendig naar binnen.

We hadden ook chai besteld, gekookte thee met gember, cardemom, melk en suiker. In plaats dat de kroegbaas zei dat hij die niet had, had hij zijn zoontje twee glaasjes bij een verre buur laten halen.
Na dit inheemse maaltje slenterden we genoeglijk door de winkelstraat om nog wat briefkaarten te kopen die overal even lelijk waren. Toen we eindelijk een paar behoorlijke gevonden hadden werden we door een Kashmirhandelaar zijn winkel ingelokt. Wetend hoe verleidelijk dit is, wilde ik eigenlijk niet binnen, maar JW was al over de drempel.

Kashmir zaakjes zijn van verre al te herkennen aan hun ordelijkheid, kleurstelling en assortiment. Je kunt er (antiek) zilver vinden, snoeren van (half)edelstenen, kashmir wol en kashmir zijde, doosjes van papier maché, kleurige Tibetaanse tapijten, kleding en nog veel meer. Hun etalages of stalletjes zijn met veel smaak ingericht. Stap dus een Kashmirwinkel binnen, en je weet vrij zeker dat je niet met lege handen buiten komt. Zo ook nu.
Mensen uit Kashmir zijn behoorlijk ontwikkeld. Ze zijn ook vaak eenzaam en gesteld op een praatje. Als je daar dan een tijdje hebt zitten kletsen bij een kopje thee, raak je ook in de stemming om iets te kopen, zeker als hij boeiende dingen over zijn handel heeft verteld. Ik kocht een oud snoer van tonvormige barnstenen, geregen tussen schijfjes turkoois en lapis lazuli. Alleen het zilveren kettinkje in de nek dat als sluiting diende beviel me niet, maar dit kon ik zelf veranderen.

Elke vorm van onderhandelen neemt uren in beslag, dus we waren na afloop weer rijp om te gaan eten. We wandelden naar het visrestaurant, dat ons al eerder door Ravi was aanbevolen, maar we hadden in “The lonely Planet” gelezen dat ze daar zouden proberen om ons niet van de menukaart te laten bestellen. Ze zouden proberen om ons veel duurdere vissen (garnalen of kreeften) te verkopen. En inderdaad. De waard vond dat wij het gewone bord garnalen voor 50 rupees (wat al goed aan de prijs was) onmogelijk konden eten en kwam met gamba’s van 20 rupees per stuk. Twaalf per persoon vond hij wel het minste. We hielden echter koppig vol dat we gewone garnalen wilden, die trouwens overheerlijk waren. Maar de rijst was koud, de chapatti niet gaar en het flessenwater had een bijsmaak, alsof de fles met ander water was bijgevuld. We hadden geen vertrouwen meer in het toetje, zijn weggelopen en hebben in ons hotel nog een ijsje besteld.

 


Mamalapuram |  Pondicherry |  Kumbakonam |  Tiruchirappalli |  Madurai |  Kodaikanal |  Periyar |  Alleppey |  Cochin |  Kovalam |  AbuDhabi |  Thuiskomst