Rajastan


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Delhi
Treinreis
Udaipur
Jodhpur
Jaisalmer
Desert Camp
Pushkar
Jaipur
Agra
Delhi (2)
Naar Goa
Opmerkingen

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speld24 maart 1998

Jaisalmer

Nu is Els ziek. Hevige maag-darm met koorts. Kan niet alleen maar van het eten komen, want we hebben de afgelopen 24 uur steeds hetzelfde gegeten. Vermoeidheid speelt ook een rol; dan wordt je te kwetsbaar en pik je alles op.
Els had zich al dagen op Jaisalmer verheugd. Wat een pech. Wel een geluk dat ze enkele dagen heeft om bij te komen, met een tuintje naast de kamer, frisse lucht, geen benzinestank of herrie. Ze wil morgenvroeg gaan stappen, maar dat zie ik niet zitten want ze heeft behoorlijk koorts.

Wij trokken in de loop van de morgen met een lege maag naar het fort om daar te gaan ontbijten. Geen zin om uren in het hotel op slappe toast te wachten. De beloning was groot, want ik at met smaak de grote kom curd met fruit waarnaar ik al dagen had uitgekeken.
Het leuke van Jaisalmer is, dat het grootste deel van de stad inclusief winkeltjes, zich binnen de muren van het fort bevindt. Het fort is geen museum, maar een nog levend geheel. We kwamen later op de dag iemand tegen die vertelde dat hij voor zijn huisje in het fort niets anders hoefde te betalen dan gebruik van licht en water. De woning was al sinds mensenheugenis in handen van de familie, en steeds van vader op zoon doorgegeven. Het heeft hier dus iets middeleeuws. Buiten de poorten is ondertussen wel het een-en-ander aangegroeid, maar dit is binnen aanvaardbare proporties gebleven.

Na het ontbijt op een klein balkon, vanwaar we het leven beneden - bestaande uit kleurige vrouwen, fruitverkopers, rondsjokkende koeien, honden, runners, lappenverkopers en oude mannen met de prachtigste tulbanden- ongestoord konden gadeslaan, waagden we ons in de drukte. De runners blijken niet erg vasthoudend, mits je ze maar negeert. Zodra je iets terugzegt ben je verloren. Zelfs "nee" of "dank u" grijpen ze aan als vorm van contact.

De Rajastaanse vrouwen kunnen behoorlijk agressief zijn als ze iets willen verkopen. Ze venten voornamelijk goedkope zilveren arm- en enkelbanden, kleurige plastic armbanden, garen, lintjes en band. Ze blokkeren desnoods je weg. De enige manier om ze kwijt te raken is gewoon rechtdoor blijven te lopen en tegen hen op te botsen. De eerste keer voel je je vreselijk onaardig en onbeleefd, maar als ze ongevraagd je weg blijven blokkeren hoef je niet steeds uit te wijken.
Toen ik bij een groepje van die vrouwen neerhurkte om een gekleurd stukje band te kopen begon een oud wijfje de kammetjes uit mijn haar te trekken die ze kennelijk prachtig vond. Ik draaide me nijdig opzij en gaf haar een tik op haar hand. Ze haalde haar schouders op, spuwde verachtelijk op de grond en ging naar de blauwe lucht zitten staren alsof ze een kat was.

We hebben ons ten doel gesteld het tentje te vinden waar ze, volgens de "Lonely Planet", de lekkerste lassies maken van heel India. Ze schijnen er wel zeventien smaken te hebben. Voordat we dit adres vinden laten we ons verleiden door een kleine winkel met oude Rajastan snuisterijen. Het wordt een gezellig uurtje, want de twee mannen die de zaak beheren halen werkelijk de halve winkel overhoop. Leuk is wel dat ze er van alles bij vertellen. Uiteindelijk beperk ik mijn keuze tot drie Rajastaanse armbandjes voor mijn verzameling. Het loven en bieden duurt een hele tijd (onder het genot van chai) maar ik krijg ze voor de prijs die ik in mijn hoofd had. JW die hangers verzamelt, bemachtigt een paar bizarre exemplaren maar hij is duurder uit dan ik. Wat ze op mij hebben toegegeven, blijken ze bij hem terug te pakken...

De lassieshop blijkt schuin tegenover de zilverwinkel te zijn en verkoopt ook gifgroen zelfgemaakt ijs, maar dit durven we niet te nemen. Het is een onooglijk tentje, maar de eigenaar doet vrij proper zijn werk. Wat je alleen nooit ziet, is hoe de glazen worden omgespoeld of afgewassen. We kiezen een lassie met een zeer Indiase naam die ik meteen weer vergeet. Hij wordt opgediend met gekonfijte vruchtjes en mierzoete slagroom die tot boter is geslagen. Moddervet is het geheel, maar wel verschrikkelijk lekker. Gesterkt wagen wij ons weer in het gewoel om vervolgens de poort van het fort binnen te gaan. Na een rustige klim bereiken we de eerste winkels. Veel patchwork in prachtige kleuren, zowel antiek als nieuw. Veel machinaal en handgemaakt borduurwerk. Veel block prints in schitterende kleuren. Prachtig allemaal, maar niet mee te dragen in een koffer. Leuk om rond te slenteren, te kijken, te snuffelen, de runners te negeren en de mannen die roepen dat er binnen nog meer is te zien. Niks binnen! Binnen is kopen, en kopen willen we het niet.

Halverwege de klim ontwaren we een balkon met etende mensen. Dit adres wordt in de "Lonely Planet" aanbevolen voor een goede lunch. We zijn in deze hitte (het is één uur en de zon schroeit genadeloos) wel weer aan een pauze toe. JW neemt de onvolprezen pancake met honing en citroen, en ik kies apple pie met custard, die overal vers wordt gekookt en gloeiend opgediend. Weldoorvoed wagen we ons een uur later opnieuw de smalle straatjes in op zoek naar koopjes.
Helemaal op het einde, pal naast de Jain tempel die helaas maar tot 12 uur open is, ligt een winkeltje dat behalve briefkaarten en boeken ook aardige stofjes verkoopt. Terwijl JW zich buiten amuseert tussen de papieren, klim ik naar binnen. Ik zie twee lapjes die ik onweerstaanbaar vind en betaal er absoluut te veel voor. Morgen beter op mijn tellen passen.

Slenterend door het fort komen we een tweede zilverwinkel tegen. We kennen de prijzen van 's morgens en weten dus vrij aardig wat hij zou mogen vragen. Hij vraagt te veel, maar heeft wel een paar dingen die we nog nergens anders hebben gezien. Het wordt een lange zit, want er is veel gebabbel nodig en veel tact om hem in een betere stemming te krijgen en op een beter prijsniveau.
Vijf kwartier later wordt de koop gesloten. Iedereen gelukkig. Inmiddels is de vriendschap zo hoog opgelopen, dat we het asbakje mogen meenemen dat we hebben gebruikt. Ik krijg ook nog een zilveren Ganesha cadeau "voor het geluk". Ik rond de aangename kennismaking af door een digitale foto van hem te nemen, die ik hem op het kleine display laat zien. Hij is er zeer mee in zijn nopjes. Dat ik de foto buiten weer zal wegpoetsen vertel ik er niet bij.
Op de terugweg komen we weer langs het terras van de apple pie/pan cake. We zijn nodig aan een versterking toe en zitten even later achter een milkshake die smaakt of hij van pure slagroom is gemaakt.

Eten in het hotel lokt ons niet bijster, na de ervaring van gisteren. We besluiten in de stad nog een hapje te nemen en niet meer uit eten te gaan, maar eens vroeg te gaan slapen. Helaas is er op dit uur (half zes) niets uitbundigers te krijgen dan een omelet met toast, maar we zijn hier best tevreden mee. De koude koffie die ik erbij bestel (in de verwachting ice-coffee te krijgen) is wel een groot glas koude koffie maar het water blijkt vervangen te zijn door dikke room.
Morgen houd ik een fruitdag.

speld25 maart 1998

De tweede dag in Jaisalmer begint met een palaver door Fanny met enige instructies voor de kamelentocht. Zo raadt zij onder meer de mannen aan vanwege hun ballen een loszittende broek aan te trekken, en de vrouwen hun strakste beha vanwege het dooropende geschommel. Iedereen krijgt de opdracht een echte Rajastan tulband te kopen tegen een zonnesteek en ze keurt diverse petten en hoeden af omdat die onvoldoende bescherming bieden tegen de zon. Sandalen zijn oke, mits er maar sokken gedragen worden die lang genoeg zijn om over de broekspijpen te doen. Lange broeken, blouses met lange mouwen, bescherming in de nek, en meer van die dingen worden met klem aangeraden.

Wij ruilen de kameel (een tocht van anderhalve dag) voor een woestijntocht per jeep. Op de avond van de tweede dag worden wij naar het basiskamp gebracht om met de groep de nacht onder de koele sterrenhemel door te brengen onder primitieve omstandigheden, maar wel met zang en dans rond het kampvuur. We zullen de kamelenrit missen, maar niet de romantiek.

Hoewel ons door Shoestring was aangeraden om deze reis een slaapzak mee te nemen, vonden wij het te omslachtig ze de hele reis met ons mee te slepen. De in Delhi gekochte tafellakens bewijzen veel betere dienst omdat de hotels hier wel dekens hebben (niet nodig, het is smoorheet) maar geen bovenlakens. Je wordt geacht onder de katoenen beddesprei te slapen, maar of die na elke gast gewassen wordt is maar de vraag. Een eigen bovenlaken is dus heerlijk.

Bij extreme kou in de woestijn (het kan er afkoelen tot vier graden), hadden we bedacht onze kleren maar aan te houden, dikke sokken aan te trekken met een oude pyjamabroek en in een fleece te gaan slapen. De dunne fleece bewees al goede diensten in het koele Delhi en bij de open ramen in de trein

We krijgen toch nog luxe want Kitty en Anne gaan niet naar de woestijn. Ze vinden het leuker om een dag eerder naar Pushkar te gaan. Kitty schonk ons vanmorgen een dertig jaar oude heerlijk zachte deken met de opdracht om hem in de woestijn achter te laten. Ze wil het ding nooit meer terugzien. Wij zijn er voor onze woestijnnacht heel blij mee. Hebben we hem niet als bedekking nodig, dan is hij altijd nog heerlijk om op te liggen.

In het fort ontbeten op een dakterras met een pannenkoekje en daarna het Jain tempelcomplex uitvoerig bekeken. De eerste tempel was een schatje, Ranakpur in miniatuur. Dezelfde prachtig bewerkte kolommen, eenzelfde rijkversierde koepel als plafond. Het enige verschil met Ranakpur was, dat de Jain budha’s hier open en bloot in het rond stonden en dat ze mochten worden gefotografeerd. De monniken wilden wel een gift, maar drongen zich verder niet op en haalden ook geen trucjes uit. Een oud baasje (oranje gewaad, gele hoofdlap) sloop mij achterna en vroeg of ik misschien een pen voor zijn kleinkind had. JW had er nog een in zijn tas, en de monnik was blij als een kind.

De tweede tempel, die er pal naast lag, was iets minder uitbundig versierd, maar interessant vanwege de lange rijen budha’s die niet achter tralies stonden maar gewoon langs de wanden. De tempel was als het ware rond de zo specifieke Jain toren heen gebouwd. Op zich waren de vele budha’s niet zo boeiend, maar omdat het er zo veel waren had het wel iets bijzonders.
De derde tempel was minder mooi dan de andere twee maar de architectuur was interessant. Hij was over de straat heengebouwd. Achter deze tempel lagen nog meer zeer oude Jain gebouwen, waarschijnlijk de onderkomens van de heilige mannen.

Voordat we de tempels bekeken was ik al bij de lapjesman gaan klagen dat hij mij gisteren had bedonderd. Er zat een groot gat in een lap die ik bij hem had gekocht. Ik had de lap bij me, en na het bekijken van de tempels ben ik die meteen gaan ruilen. Jammer genoeg had hij er geen meer in de frisse kleuren die mij zo hadden aangetrokken.

Het was half een geworden en de zon brandde als de hel. Er stond ook wat minder wind dan gisteren. We klommen naar ons dakterras en aten een kop maissoep, waarin de lepel rechtop bleef staan. In hetzelfde straatje hadden we een antieke, bronskleurige lap ontdekt die de hele middag door mijn hoofd bleef spoken omdat we hem (voorlopig) hadden laten lopen. Hij was handgeborduurd, geheel gevoerd, en vormt een prima ondergrond voor JW’s verzameling zilveren hangers.

Na twee vorstelijke lassi’s te hebben gedronken (“makhania”, met de smaak van cardamom en rozenblaadjes), eentje met - en eentje zonder versgedraaid ijs er in, belandden we bij de mooiste handelaar in antiek zilver. Aangetrokken door zijn uitstalkastje liepen we er binnen en zagen de fraaiste museumstukken. Niet te betalen, maar fantastisch om zomaar in handen te hebben, onder een loep te bekijken en het gewicht ervan te voelen. Loodzware Moghul armbanden, breder dan manchetten, en zo prachtig bewerkt dat het kleine wondertjes waren.
Ik kocht uiteindelijk een sobere band die ik meteen al mooi had gevonden en die beter betaalbaar was. Plus negen zware fraai bewerkte zilveren kralen. Plus de zoveelste kleine Ganesha-medaille voor mijn collectie.
JW breidde zijn hangercollectie uit met drie bijzondere exemplaren. Eentje hiervan is een gegraveerde barnsteen, gevat in een uiterst fijn randje van zilver. Het bijzondere ervan is, vertelde de man, dat deze hanger omdat hij een spreuk bevat en geen plaatjes, door alle geloven gedragen kan worden om geluk af te smeken: Hindu’s, Moslims en Jains.

Jaisalmer is een bijzondere plaats met een bijzondere sfeer. Op de dode honden na (die van gisteren lagen er nog) en een gezellige kolonie bruine ratten, is het betrekkelijk schoon te noemen. Alle huizen zijn gebouwd van goudkleurige zandsteen. Er zijn strenge voorschriften voor restauratie en nieuwbouw. Het grootste gedeelte van de woningen bevindt zich binnen het fort, en wat er later aan vast is geplakt heeft dezelfde bouwstijl.
Er zijn vele fraaie koopmanshuizen die een glorietijd hebben gekend. Jaisalmer lag aan de kamelenroute, dus handelen zit de vriendelijke bewoners van oudsher in het bloed.

De plaatsen in Rajastan vormden vroeger als het ware kleine solitaire koninkrijkjes en waren zeer geisoleerd. Autowegen en spoorrails zijn pas in de jaren zestig aangelegd in verband met de altijd dreigende oorlog met Pakistan, die ook nu nog een rol speelt. De grenzen worden permanent bewaakt en er is een hele legermacht paraat in de grensstrook.

In de jaren twintig en dertig, toen de kamelen-handelsroute geen betekenis meer had, is Rajastan vrijwel helemaal leeggelopen. Al het grootkapitaal vertrok naar elders en er woonde nog maar een handjevol mensen. Het is Ghandi’s verdienste geweest dat de streek weer enige betekenis kreeg. Hij heeft er zich sterk voor gemaakt dat dit cultuurgoed bewaard bleef, zoals hij ook de prachtige tempels in Kajuaro van de ondergang heeft weten te redden.

We lazen dat de jeugd in Rajastan voor middelbare school en universiteit aangewezen was op Jaipur en daar op een kameel naar toe ging. Dit was meer dan een dagreis! Het openbaar vervoer waarmee Anne en Kitty morgen naar Puskar vertrekken doet dertien uur over de tocht, terwijl Pushkar dichterbij ligt dan Jaipur.

speld26 maart 1998

Om acht uur leverden wij de grote koffers in omdat ze meegenomen werden door de bus. We zwaaiden de groep uit en namen tijdelijk afscheid van Kitty en Anne die we in Pushkar weer zouden terugzien, en van Leo en Ien die na het kamelenkamp via Bikaner naar Agra zouden komen. Fanny had de masseur gecontracteerd om mee de woestijn in te gaan omdat Ien en Els veel baat bij zijn behandeling hadden. Els ziet er bedonderd uit en heeft duidelijk koorts.

Onze kamer is ongezellig leeg nu de grote koffers weg zijn. We zullen de komende dagen uit onze handbagage moeten leven. We kleden ons aan en nemen een rikshaw naar het postkantoor om de eerste diskette te verzenden. Toevallig treffen we de rikshawrijder die we gistermiddag hadden. Het postkantoor blijkt pas om tien uur open te gaan. Dan maar eerst naar de stad om te ontbijten.

De eettent waar we nu drie morgens zijn geweest ontvangt ons met lange gezichten omdat we de mannen storen in hun rust. Ze blijken ook niets meer in voorraad te hebben. Van armoe bestel ik toast, waar ik eigenlijk het land aan heb. Zonder boter, maar met een dubbele portie marmelade graag. Na een kwartier komen er vier slappe sneetjes met een bakje waarin de jam nog niet eens de bodem bedekt. We vragen meer jam te gaan halen, en we krijgen er nog een restantje bij. Als de lassi die JW heeft besteld na 20 minuten nog niet is gebracht hoewel we de enige gasten zijn, is ons geduld op. We vertrekken.

Per rikshaw terug naar het postkantoor waar we een diskette posten (die nooit is aangekomen). Daarna naar een van de grote haveli’s aan het andere einde van de stad waar volgens Leo een goede antiquair zit. Hij heeft gelijk. We vermaken ons een hele tijd met alles bekijken, want rijp en groen staat en hangt er door elkaar. Ik heb een kleine loep meegenomen om de details te kunnen bekijken en vervalsingen (zo mogelijk) te signaleren. Misschien maakt dit ook nog enige indruk zodat we niet meteen belazerd worden. Na heel veel bieden en loven vertrekken we tenslotte met een driekoppige Ganesha van een behoorlijke ouderdom en met een miniatuurtje.

Terwijl JW de straatjes filmt rondom de haveli, loop ik bij een kledingzaakje binnen aan de overkant van de straat. Ik blijk de eerste klant van de dag en dan heb je in India een streepje voor. Betekent dat de prijs een heel stuk naar beneden gaat omdat je geluk brengt. De man, gekleed in gurujurk, vraagt meteen of ik met een groep ben, en zo ja, of ik de anderen ook naar zijn winkel wil sturen. Ik vertel maar niet dat de anderen vanmorgen al vertrokken zijn en niet meer in Jaisalmer terugkomen.

Hij heeft me al een paar maal doordringend aangekeken en zegt ineens dat ik een sterk karma heb en een very clear mind. Ik moet er om lachen maar hij vervolgt ernstig dat ik minder moet roken omdat dit de pest voor me is. Hij tovert een klein pakje tevoorschijn waarin dunne, taps toelopende strootjes zitten en zegt dat die gezonder zijn omdat de tabak in natuurlijk blad is gerold. Marihuana?, vraag ik. Inderdaad. Hij biedt mij een strootje aan om te proeven en een bank om samen op te roken. Ik overwin mijn aarzeling; zie dat JW ondertussen op een schaduwrijk stoepje is gaan zitten, dicht in de buurt dus wat kan me gebeuren?

Terwijl ik het eerste sticky van mijn leven rook, vertelt de man mij wat ik allang weet: dat ik twee zonen heb. Prima gok, denk ik nog, maar als hij haarfijn hun zo verschillende karakters begint te beschrijven, luister ik met meer interesse. Hij vertelt dat een van mijn jongens momenteel veel verdriet heeft om een vrouw, maar dat hij het beter zal krijgen dan hij het ooit heeft gehad. Ik reageer er niet op, maar wat hij zegt zal ongetwijfeld waar zijn. Dan neemt hij ineens mijn hand en bekijkt aandachtig de lijnen. Een gelukkige hand, constateert hij, hoewel de mooiste tijd nog moet komen. Pas over een jaar of vier vijf zal ik het maximale geluk bereiken en aan zijn voorspelling terugdenken; na eerst door een dal te zijn gegaan.

Ik vind het nu tijd worden om te vertrekken. Ik sta op, bedank de man voor zijn vriendelijke woorden, de korting en de marihuana en schuifel wankel in hoofd en knieen de winkel uit. JW ziet me komen en vraagt wat ik al die tijd heb uitgespookt. Sticky gerookt fluister ik giechelig en ik vertel wat me is gebeurd en voorspeld. Ik voel me aardig tipsy, maar dit gaat betrekkelijk snel weer over. Als we tien minuten later op een speciaal adresje achter een koele lassi zitten, is het wazige gevoel verdwenen.

Het is de laatste dag in Jaisalmer, dus we moeten nodig een plaatselijke tali eten. In de “Lonely Planet” staat een adres waar ze heerlijk schijnen te zijn en niet duur. Eerst lopen we nog een verkeerd restaurant binnen. We klimmen naar het dakterras dat helemaal leeg is, en nestelen ons aan een witgedekte tafel (een bijzonderheid) maar als we de kaart hebben bestudeerd, lopen we er weer weg.
De eetgelegenheid die we moeten hebben, “Monica” geheten, blijkt een paar huizen verderop te zijn. Via een smal trappenhuis dat zeer onlogisch in elkaar zit klimmen we naar het dak. Er zitten aardig wat jonge mensen, en het geheel ziet er gezellig en smakelijk uit. Op baas en bediening valt niets aan te merken. De tali blijkt inderdaad heerlijk te smaken.
Na de lunch heeft JW geen moed om met mij nog een keer het fort in te lopen en de tocht naar boven te ondernemen om de lap te halen die we gisteren lieten schieten. Het is dan ook verzengend heet. Hij stelt voor dat hij bij Monica een krantje blijft lezen, terwijl ik op m'n eentje ga.

Op het heetst van de dag maak ik de klim over de gloeiende keien. Veblind door het licht stap ik eerst nog de foute winkel binnen. Als de verkoper vraagt wat ik zoek kan ik moeilijk zeggen dat ik bij zijn buurman moet wezen, dus kijk ik pijlsnel rond en zie mijn redding. “Die oude brokaten sari”, wijs ik hem en hij haalt de donkerrood-met-gouden lap van de lijn waaraan hij hangt en spreidt hem al uit. Wetend dat de prijzen hier hoger liggen dan in Udaipur, informeer ik onverschillig wat hij moet kosten. Hij noemt een bedrag en ik vraag of hij grapjes maakt; dat ik zojuist in Udaipur eenzelfde sari voor nog geen kwart van de prijs heb gekocht. Ik jok behoorlijk, maar dit kan hij niet weten. Hij vraagt wat ik daar dan heb betaald, en ik noem een veel te laag bedrag. Ik maak me al klaar om de zaak te verlaten als hij dit bod ineens accepteert. Wie had dit gedacht? Ik voel me blij en opgelaten tegelijk, want zeven meter brokaat weegt weer een paar kilo, maar ik kan nu niet meer terug. De sari wordt in kranten verpakt en er wordt nog een katoenen touwtje omheen gewikkeld.

Mijn eigen lappenman is verheugd om me terug te zien. Na enig gepraat duikt hij onder de toonbank. Hij vindt mij kennelijk competent genoeg om zijn mooiste stukken te laten zien. Ik mag op een krukje gaan zitten en dan vouwt hij talloze antieke, handgeborduurde woestijnlappen voor me uit. De een is nog mooier dan de ander. Hij geeft mij een loep om de fijne steekjes beter te kunnen bekijken, maar ik heb zelf nog een loepje in mijn zak. Dit maakt grote indruk. Nu komen zijn “museumstukken” uit de kast. Ik houd mijn adem in, want hij tovert twee bruidsjurken tevoorschijn, stijf als kazuivels en zo dicht geborduurd met minuscule steekjes dat de stof nergens meer is te zien.
Hij vertelt dat dit soort oude kostbaarheden maar zelden in musea te zien is omdat de textiel daar niet goed bewaard kan worden. Het is er te stoffig en te droog. Deze bruidsjurken werden niet door de rijken gedragen want die konden zijde betalen. Het waren de arme woestijnbewoners die in deze kleren trouwden. De mensen bezaten niets anders dan hun creativiteit en veel tijd als ze in de zomer binnen moesten zitten. Werd er een dochter geboren, dan werd er al aan de trouwjurk begonnen want het was een project van vele jaren.

De geborduurde voor- en achterkanten waren opzij en aan de binnenkanten van de armen met elkaar verbonden door middel van niet geborduurde repen stof. Hoe arm de mensen waren, kon je zien aan deze verbindingslapjes die door en door versleten waren, maar kunstig aan elkaar genaaid.
Omdat de woestijnbewoners ook geen sieraden bezaten, werden er rond de hals opmerkelijk mooie randen gemaakt, zodat het toch leek of de bruid kettingen droeg.

Er kwam een groepje toeristen binnen, maar de lappenman trok zich hier niets van aan en ging door met vertellen. Hij ging helemaal op in zijn verhalen, en ik hing aan zijn lippen. De klanten liepen boos weg en de man zei dat hij dit soort toeristen niet graag in zijn zaak zag. Die waarderen toch niet wat ik heb en zijn alleen op koopjes uit. Laat die maar machinaal borduurwerk kopen.
Ik voelde me vereerd maar liet me niet vermurwen om ook maar één prijs te vragen van zijn antieke stukken, maar keerde terug naar de realiteit van de eenvoudige lap waarvoor ik was gekomen. Erg veel afdingen kon ik met goed fatsoen niet meer, maar een beetje nog wel en zo verliet ik heel tevreden de winkel.

JW zat op het koele terras van “Monica” achter een pot thee met citroen. Omdat de obers ook even een tukje deden, had hij met zijn hoofd op tafel liggen slapen. Hij past zich al behoorlijk aan het Indiase leven aan.
Iedereen had hem trouwens met rust gelaten en bijzonder vriendelijk bejegend. Toen hij bij het weggaan zei dat hij wat door de warmte bevangen was geweest, zeiden ze vriendelijk dat hij op elk moment terug mocht komen, en dat er ook nog wel ergens een bed voor hem was. Toen wij de trappen afgingen en de koks op de stenen vloer zagen slapen vroegen wij ons af waar de bedden stonden. Niettemin vonden wij de gastvrijheid hier van grote klasse.

JW kwam nog op het briljante idee om voor de woestijnrit hemden te kopen met lange mouwen. We hadden wel truien in de handbagage, maar geen dunne blouses die bescherming boden tegen de zon. We vielen bij een kleermaker binnen die wat afzijdig lag van de toeristenroute en de man was zeer gelukkig omdat hij twee dagen geen klant had gezien. Hij bleef maar aandringen dat we meer kleren van hem moest kopen, maar behalve zijn witte woestijnhemden van fijne katoen, was de rest te lelijk. Om van het gezeur af te zijn kochten we ieder twee witte hemden.

Als je voor de derde maal in India bent begint het straatbeeld dat je aanvankelijk verbijstert, te wennen. Je begint het zelfs heel gewoon te vinden. Liep je vroeger met een wijde boog om de koeien en stieren heen, nu duw je ze gewoon opzij als ze je in de weg lopen. Vanmiddag stormde een jonge stier bijna op mijn rode tasje af, maar het ging net goed. Wel kreeg ik de schrik van mijn leven toen ik - onoplettend en verblind door de zon - ineens oog-in-oog stond met een kolossale bison-stier. Het was een gigant met van die lage, wijduitstaande hoorns en hij stond op een stel stoere poten waarvan je geen trap moet krijgen. De vetkwabben hingen als een plissékraag onder zijn kin. Hoe zo’n beest hier is verzeild raakt is me een raadsel.

Kamelen sjokken hier in behoorlijke aantallen rond, of ze staan geduldig te wachten tot hun kar is volgeladen. Je kunt gewoon onder hun koppen doorlopen, al hebben ze de naam dat ze maar langzaam vriendschap sluiten.
Niet alle dode honden lagen nog op hun plek. Soms zou je trouwens zweren dat ze dood zijn, en blijken ze gewoon te slapen. Ze hebben hier wel een leuk leven, al is het misschien wat kort. Ze zijn niet goed gevoed, maar ook niet broodmager. ’s Nachts houden ze vrolijke concerten met elkaar.

Het hotel is uitgestorven nu iedereen vertrokken is. We zijn nog de enige gasten. We hebben vanmiddag zo goed gegeten, dat we geen behoefte meer aan een maaltijd hebben. We trekken ons terug op de kamer met bananen en biscuitjes en gaan lekker vroeg slapen.


Delhi | Treinreis | Udaipur | Jodhpur | Jaisalmer | Desert Camp | Pushkar | Jaipur | Agra | Delhi(2) | Naar Goa | Opmerkingen