Rajastan


Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Delhi
Treinreis
Udaipur

Jodhpur
Jaisalmer
Desert Camp
Pushkar
Jaipur
Agra
Delhi (2)
Naar Goa
Opmerkingen

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldzondag 15 maart 1998

Tegen half twee 's nachts Nederlandse tijd (zes uur s' morgens locaal) landden we in Delhi op het inmiddels grondig gemoderniseerd vliegveld Indira Ghandi. Omdat we na de groepsreis door Rajastan met één ander stel zouden doorvliegen naar Goa, waren wij vieren op een Air India toestel geboekt, de enige manier om reductie te krijgen op de later te maken binnenlandse vlucht. De rest van de groep zou met Gulf Air vliegen.

Buiten de aankomsthal stond reisleidster Fanny ons op te wachten, een stevige meid van achter in de twintig, met een touroperator uit Delhi. Hij was een mooie Sikh met gesoigneerde baard en een donkerrode tulband. Hij bracht ons en het andere koppel naar een nieuwe, vrij comfortabele wachtruimte waar we zeker nog een uur moesten zoetbrengen. We haalden bekertjes oploskoffie bij een buffet, waarachter een jongen van een jaar of vijftien met zijn hoofd op de toonbank lag te slapen. We hadden grote moeite hem wakker te krijgen en vroegen ons af hoeveel uren hij hier al zat.

Delhi ontwaakte ook. De eerste zonnestralen braken door de dichte nevels waarin de stad met wijde omtrek elke avond opnieuw verdrinkt. We herkenden dit diffuse licht van vorige bezoeken. Het was zondagmorgen en opvallend rustig buiten. De heksenketel van kofferdragers, runners, en taxichauffeurs die om klandizie vochten was opvallend afwezig. Wie er niets te zoeken had werd kennelijk geweerd uit de directe omgeving van de aankomsthallen.

De anderen waarmee wij een groep zouden vormen arriveerden inderdaad een uur later. Onder hen bevonden zich Hein en Els, vrienden van ons die deze reis toevallig ook maakten. Wij hadden ons nooit gerealiseerd dat we niet met hetzelfde toestel zouden vliegen, en dit dus ook niet verteld. Ze hadden zich daarom erg ongerust gemaakt toen zij ons niet zagen. Hein was bij de tussenlanding in Parijs zelfs gaan bellen, hoewel hij het vliegtuig eerst niet had mogen verlaten. Maar Hendrik-Jan verzekerde hem dat hij ons zelf naar Schiphol had gebracht en dat we goed waren vertrokken. Bizar was natuurlijk dat wij op hetzelfde moment in Parijs op aansluiting naar Delhi zaten te wachten. Wij waren ook even ongerust geweest, totdat JW de toedracht besefte.

Toen de groep compleet was stapten we in de bus die we drie weken zouden houden. De rit naar het hotel duurde ongeveer een uur op de vroege zondagmorgen. Er was, relatief bezien, maar weinig verkeer. We zagen de voorsteden langzaam ontwaken en passeerden ruines en sloppen waar het leven zijn dagelijkse aanvang nam: poedelen, kleren wassen, vaat doen, potje koken. De specifieke geuren van Delhi vermengden zich al met de Europese geurtjes in de bus. We passeerden ook nogal wat grote, nieuwe bouwwerken. Ik nam de gore stad met zekere afkeer in me op maar wist dat die afkeer vanzelf weer zou verdwijnen. Een paar uur later zou ik alleen nog maar oog hebben voor de bizarre mengeling van mensen en dieren die deze stad bevolken en bevuilen.

Hotel Syal aan de Ara Kashan Road lag in een drukke volksbuurt dicht bij het station en had een keurige voorgevel en een nette entree. We kregen een haveloze kamer zonder uitzicht die in het gebruik erg comfortabel bleek te zijn. Douche met warm water en de bekende grote emmer om makkelijk een wasje te doen. Er stonden twee oude leunstoelen en een tafel wat niet ongemakkelijk was, al namen ze de hele kamer in beslag. De verdieping werd permanent door een mannetje bewaakt dat ook de room service verzorgde en de kamer poetste. Het bleek een dierbaar baasje te zijn dat ’s nachts in een oude leunstoel voor onze deur bleef slapen om de verdieping te bewaken.

We sliepen een uurtje en lieten ons een “dosa” op de kamer brengen, een knapperig gebakken eierpannenkoek met linzensausje. Rond twee uur gingen we
het zeer volkse buurtje rond het hotel verkennen waar talloze hotels, eetwinkels en eettentjes waren. Hierna pakten we ergens een fietsrikshaw naar de Saddar markt en genoten van alles wat aan ons voorbij trok. Langs de vrij brede weg stonden opvallend veel ossen met hun karren gestald, en kleine paardjes met nog kleinere koetsjes. De paarden hadden geen puntzakje onder hun staart om poep op te vangen zoals in Indonesië, wat een maatregel schijnt te zijn tegen verspreiding van tyfus. We zwalkten vanaf de Saddar markt wat rond tot aan de Suneri Machid en namen daar een motorrishaw naar Town Hall van waaruit we een mooie wandeling maakten rond de Jami Machid, de prachtige moskee van Sjah Jahan die ook de Taj Mahal heeft ontworpen.
Op zondag valt aan Delhi eigenlijk niet veel te beleven want de Hindu's houden rust en de winkels zijn dicht. Alleen rond de moskeeën is bedrijvigheid. Maar iedereen flaneert in zijn mooiste kleren op straat en het is er, zoals altijd, toch behoorlijk druk.

Om vijf uur moest de hele groep verzamelen in de lounge. Omdat het de eerste avond was zouden we gezamenlijk gaan eten op een dakterras om kennis met elkaar te maken en instructies te krijgen voor de verdere reis.
Fanny begon van alles uit te leggen over zeden en gewoonten in het land. Ze sprak over de drie-eenheid Brahma-Vishnoe-Shiva. In Puskar staat de enige, nog in gebruik zijnde, Brahmatempel van India. Vishnoe wordt dikwijls aangeduid met een V-vormig teken op het voorhoofd waardoor een verticale streep loopt, terwijl Shiva's voorhoofd vaak wordt gesierd door drie horizontale streepjes onder elkaar.
Ganesha, het mollige olifantje, is de beschermer van huis en haard. Geld is iets heiligs in India en dient daarom met de rechterhand en veel respect overhandigd te worden. Voeten zijn het laagste en vuilste wat een mens bezit, dus iemand op zijn tenen trappen is een kwalijke onbeleefdheid. Blote knieën en schouders moeten bedekt blijven omdat zij als buitengewoon sexy en uitdagend gelden. Als een vrouw een man recht in de ogen kijkt, wordt dit als regelrechte invitatie opgevat.

Hierna kwamen de meer wereldse onderwerpen aan de orde: prijzige restaurants kun je maar beter mijden. Vaak is het eten er niet betrouwbaar omdat de omzet laag is. Stroomuitval is aan de orde van de dag, dus in de koelkast bewaarde levensmiddelen barsten van de ziektekiemen. Beter kun je een drukke tent zoeken waar veel hippies komen. Daar is de omzetsnelheid van het eten hoog en de kok meestal behoorlijk.
Tot slot werden de meest voorkomende ziekten, kwalen en medicijnen behandeld. Nu was ruim driekwart van de groep al eerder in India geweest, wat betekende dat bruikbare adviezen en tips al snel over tafel vlogen.

speldmaandag 16 maart 1998

Om half tien een autorikshaw genomen naar Zuid Delhi om het Qutb Minar complex te gaan bezichtigen, met de prachtige toren waaraan men in 1199 begon te bouwen. Deze toren schijnt de meest glorieuze overwinningstoren ter wereld genoemd te worden. Hij heeft als voorbeeld gediend voor alle latere minaretten in India. Bij deze toren is voor het eerst het geraffineerde kleurcontrast toegepast van rode zandsteen met wit marmer, een combinatie die in de latere Moghul bouwkunst veelvuldig is toegepast.

Het weer was lichtbewolkt en vrij fris. Perfect om veel te bezichtigen en rond te lopen. We hadden met de rikshawrijder afgesproken dat hij voor 200 rupees de hele dag bij ons zou blijven. De afstand van het hotel naar de Qutb Minar bedroeg ongeveer dertig kilometer, dus dit bedrag was voor ons zeer redelijk te noemen, en voor hem een mooie verdienste.

Wat we niet beseft hadden was dat vier, pakweg vijf kilometer per autorikshaw tussen het waanzinnige verkeer voortjakkeren nog wel te doen is, maar dat een continue rit van dertig kilometer ontzettend stom is. Je ademt alle uitlaatgassen in van medeweggebruikers die van katalysator nog nooit hebben gehoord. Je zit op het lage bankje in de open karos precies op de juiste hoogte om een innige verhouding te krijgen met de roetzwarte damp die door vrachtwagens en bussen wordt uitgestoten.

Op het einde van de rit begon het gif dan ook zijn werk te doen. Eerst vage hoofdpijn die geleidelijk aanzwol tot bijna ondraaglijk gebonk, terwijl ik zo misselijk werd als een kat. Hoewel ik de roetige lucht al een tijdje door mijn omslagdoek had gefilterd, leken mijn longen wel verschroeid, maar we waren er nu bijna.
Eenmaal in de buitenlucht van Qutb Minar, waar we geruime tijd bleven om alle schitterende ruïnes, bogen en pilaren te bekijken, knapte ik trouwens weer snel op, maar veel later - terug in Holland - zou ik hier nog wel eens aan terugdenken.

De terugrit van Qutb Minar naar Humayun's Tomb, de tweede bezienswaardigheid die we wilden aandoen, viel trouwens reuze mee. Ook al omdat we een paar keer uitstapten onderweg. We lieten ons echter niet door de rikshawrijder overhalen om naar een handicraft emporium gebracht te worden. We maakten hem duidelijk voor dit soort suggesties niet "in" te zijn. We hadden bij de Qutb Minar ook weinig last van verkopers gehad, hoewel die er bij bosjes waren. Zoals Fanny gisteravond al zei: Indiërs zijn goede psychologen en grijpen toeristen op hun onzekerheid. Maar wij waren nu voor de derde keer in Delhi en begonnen ons goed op ons gemak te voelen.

Humayun's Tomb was een gigant, maar vooral prachtig door zijn strakke eenvoud. Een achtkantig gebouw, opgetrokken uit rode en gele zandsteen met ornamenten van wit marmer om de lijnen te accentueren. Het meest opmerkelijk zijn de overal terugkerende lage kolommetjes: het bovenste deel heeft Moghul motieven, het middenste deel Perzische en het onderste deel Hindu-versieringen. Je kunt deze beroemde tombe nog zo goed van plaatjes kennen, maar de maat ervan moet je toch lijfelijk ondergaan.
Humayun was de tweede Moghul keizer. Hij moest in 1540 in ballingschap naar Perzië uitwijken omdat hij werd verslagen door de Afgaan Sher Shah. Hij kwam vijf jaar later naar India terug en heroverde Delhi tien jaar later op de vijand. Na zijn overlijden liet zijn weduwe dit opzienbarende mausoleum bouwen dat al snel werd geïmiteerd. Het inspireerde ook Shah Jahan voor zijn Taj Mahal. Tijdens de bouw, die negen jaar duurde, hield de weduwe zelf toezicht door naast het complex te blijven kamperen.

Het was inmiddels half twee geworden en hongerig lieten we ons naar de Sunder Nagar market rijden. We kenden daar van de vorige keer een cafetaria-achtig restaurant met groot terras, een van de weinige in Delhi. We aten samen een paneer dosi, dronken er wat, en slenterden toen het hele plein met antiquairs langs, terwijl we hier eigenlijk nog niet voor in de stemming waren. We gingen binnen in een kleine zaak waar we al eens eerder een paar aardige dingen hadden gevonden. We vielen op een zilveren medaillon, maar de man vroeg zo'n absurde prijs dat we geen zin hadden erover te gaan onderhandelen. Elke prijs waar we op uit zouden komen, zou na zijn inzet te hoog zijn. Andere zaken die hij liet zien waren knappe imitaties, dus zo vals als wat. We lieten hem zitten met zijn schatten en wandelden de deur uit.

Nadat de rikshawrijder ons om half vijf had afgezet bij de Tibetaanse markt, ontsloegen we hem verder van zijn plicht wat hij dankbaar aanvaardde. We slenterden langs de gezellige winkeltjes en ik vond er een handbedrukte lap die tijdens de trein- en woestijnreis prima als laken kan dienen. Dom dat ik er niet meteen twee heb kocht, want nu moeten we morgen terug. JW wil ook een beddenlaken hebben.
We kwamen al slenterend dicht in de buurt van het Kashmir Emporium waar we twee jaar terug prachtige truien hadden gevonden. JW dacht de zijstraat te herkennen, en we sloegen die in. Toen we even zoekend om ons heen stonden te kijken of dit de juiste route was, stoven er van alle kanten runners op ons af die vroegen wat we zochten. We gaven geen antwoord want we hadden ondertussen gezien dat we in het goede straatje waren. We liepen eerst nog expres de trappen naar het Emporium voorbij. Toen de runners ons maar bleven achtervolgen, verloor ik mijn geduld. Het is toch te gek dat je niet eens zonder escorte een winkel kunt binnengaan waar je al eerder bent geweest!

Ik werd zo kwaad, dat ik bijna mijn nek brak over een losliggende steen, maar meteen stoof ik rechtstreeks op de winkel af. JW zou, naar ik aannam, wel volgen. Toen ik de trappen naar het Kashmir emporium bijna had bereikt, kwam er alsnog een runner die me binnen wilde "geleiden". Ik schold hem in onvervalst Nederlands zijn huid vol en hij had hier even niet van terug. Ik stormde meteen de winkel in, en vroeg luidkeels of ze die rotjongens van mijn nek wilden halen. Het toeval wilde dat ik een rode omslagdoek die ik twee jaar geleden in deze zaak had gekocht, over mijn arm had hangen. De eigenaars van de zaak hadden hem al herkend en, terwijl mij een zitplaats werd aangeboden op de pluchen bank, werden mijn kwelgeesten buitengesloten. Ondertussen was ook JW de tappen opgekomen.

In de zaak was niets veranderd. Het waren dezelfde mannen. Op het uiteinde van de bank zat de bejaarde boekhouder nog steeds met grote waardigheid staten in te vullen alsof hij al die tijd niet van zijn plek was geweest. Ik herkende de imposante kop die ook de eerste keer zoveel indruk op me had gemaakt: de prachtig omgeslagen Sikh-tulband, en de onder een kinband weggestoken grijze baard.
Na enig zoeken en passen onder vriendelijk gebabbel met een van beide eigenaren, kwam er een helblauwe trui tevoorschijn die mij als gegoten zat. Ondertussen had de andere man JW vermaakt door prachtige zijden tapijten voor hem uit te rollen. Toen hij hiermee begon had ik al uitgeroepen dat we, met twee honden en twee katten, niet aan tapijten begonnen en zeker niet van zijde, maar hij zei dat hij ze alleen maar liet zien omdat hij ze nieuw had binnengekregen en zelf zo mooi vond. Hij had er trouwens maar vier in totaal. Handgeknoopt, met 560 knoopjes per vierkante inch, sprak hij met grote trots.

Ze waren dan ook prachtig, zowel van materiaal als van kleur, en ook de motieven waren bijzonder. Ik zou het niet hebben durven bedenken, maar JW noemde een plek waar we dit kleed zouden kunnen leggen. Uitgerekend daar, waar we nog wel eens hapjes op tafel klaarzetten als we veel mensen hebben. Geen probleem, zei de verkoper. In Kashmir doen we gewoon zo: hij pakte het tapijt op, en legde het met de onderkant naar boven. Hoewel de kleuren nu veel lichter waren omdat de vleug ontbrak, was het nog altijd even mooi. We weigerden echter om de verdere vakantie met een tapijt rond te sjouwen. Dan moest het dus worden opgestuurd. We zetten onze handtekening op de achterkant zodat we er zeker van konden zijn dat dit tapijt zou worden verzonden.

De grootste verrassing van de dag bleek echter "L'Arabe", op de hoek van Connought Place en Jan Path. De Kashmirverkopers hadden ons aangeraden te gaan eten in een Engels aandoend restaurant "Gaylord", maar dit konden we niet vinden.
De deur van de Arabier stond gastvrij op een kier en we wilden eigenlijk alleen een snack gebruiken. De inrichting was nogal saai, maar de bediening zo aardig, de hapjes zo heerlijk en de koffie zo geurig en zwart (vers en sterk gezet in een cona, opgediend met hete melk en room) dat we ons voornamen om hier nog eens te komen eten.
Toen we welgedaan weer buiten stonden ontdekten we nog geen drie huizen verder het Engelse restaurant met deftig gedekte tafels en vier knikkende obers per persoon. We waren blij dat we dit niet eerder gevonden hadden.

Fanny bleef 's avonds nog even bij ons buurten toen ze de reispapieren ophaalde om de volgende dag te confirmeren. De Rajastanreis is voor haar ook nieuw want gewoonlijk doet ze de Zuid-India route die we vorig jaar maakten. Omdat ons groepje toen maar uit zes personen bestond mocht ze niet met ons mee. We kregen een locale gids die veel goedkoper was. Ze kon het zich goed herinneren.

spelddinsdag 17 maart 1998

Om half tien hadden we in de hal van het hotel afgesproken met Hein en Els. Die zaten er al, samen met Marloes het laatste lid van onze groep dat vanmorgen pas was aangekomen vanuit een andere richting. Ze waren in het telefoonboek op zoek naar een tour operator die Hein ooit had gehad omdat Marloes na de Rajastanreis Varanasi nog wilde gaan bekijken.
Nadat Hein het bewuste adres inderdaad had opgespoord verlieten we gevieren het hotel. We slenterden in de richting van het station en namen na veel geharrewar over prijzen twee autorikshaws naar het Rode Fort. JW was alsmaar bezorgd dat de chauffeurs niet de goede weg namen want hij had de richting anders ingeschat. Maar elke rikshawrijder kent de stad op zijn duimpje. Zeker als het de grote bezienswaardigheden betreft waartoe ook het Rode Fort behoort!

Het zijn toch al van die levensgevaarlijke tochten want rikshaws scheuren met een noodgang overal voorbij: voetgangers, fietsen, fietsrikshaws, grote bussen, vrachtwagens, paardenkarren, loslopend vee, honden, blinden en bedelaars. Elk gaatje benuttend, schieten ze zigzaggend met hun spitse driewielerneus door het verkeer. Als passagier zit je net op de goede hoogte om alle uitlaatgassen op te snuiven en je komt dus lichtelijk benauwd aan. Niet getreurd, want voor een paar dubbeltjes kom je wel een heel eind weg.

Het Rode Fort is kolossaal, zoals vrijwel alles in India een maatvoering heeft die niet te fantaseren valt voordat je het met eigen ogen hebt gezien. Parijs is hierbij vergeleken niet groter dan Madurodam. Voordat we bij de ingang kwamen van het fort, moesten we eerst driekwart om het complex heenrijden wat een onvoorstelbaar lange rit was.
De entree is er later aangebouwd en helaas nogal ontsierend. Eenmaal binnen moet je langs een lange rij snuisterijwinkels die allemaal hetzelfde verkopen: glittertasjes, rinkelbanden, kettingen van halfedelsteen, beeldhouwwerkjes, marmeren voorwerpen en meer van dit dagtoeristenspul. Dan volgen nog stalletjes met bloemenkransen, wierook en offergaven. Het is overal een drukte van belang en de bezoekers zijn voor negentig procent uit India afkomstig. Je kijkt dan ook je ogen uit naar de kleurige gewaden, zowel door mannen als vrouwen gedragen.
Pas hierna kom je bij de oorspronkelijke poort die toegang geeft tot het Fort.

We namen er de tijd voor om alle gaanderijen en galerijen op ons gemak te bekijken met de elegante pilaren, sierlijke bogen en uit marmer gestoken ramen. De bouwstijl is sober en sierlijk, maar tegelijk ook heel robuust en krachtig. Eenvoudige patronen worden eindeloos herhaald en vormen zo prachtige ornamenten. Van de kunst van het marmer inleggen, later in de Taj Mahal en het Rode Fort van Agra nog verfijnder toegepast, is hier al iets te zien. Ooit waren de uit marmer gebeitelde bloemen ingelegd met robijnen, saffieren en smaragden, maar de edelstenen zijn sinds lang verdwenen. Op sommige plaatsen zijn de gaten opgevuld met geschilderde stukken glas of steen zodat je een indruk krijgt hoe het vroeger was.
Er zijn hier al enkele kleine ruimten waar spaarzaam mozaïek van spiegeltjes wordt toegepast tegen de gewelfde plafonds. Het mooiste vind ik echter het marmeren waterbekken in de vorm van een lotusbloem, dat ook weer verfijnder is terug te vinden in het Rode Fort van Agra.

Per fietsrikshaw lieten we ons vervolgens brengen naar het smetteloze tuintje van “Tourist Camp”, waar we tijdens een vorig verblijf in Delhi meestal ontbeten omdat het ontbijt in Broadway Hotel, dat hier vlak bij ligt, te duur en te sjiek was. Tourist Camp was keurig opgeknapt met piepkleine stenen huisjes waarin gekampeerd kon worden. Op de parkeerplaats stonden de bus van Das Rollende Hotel en zelfs een echte Engelse caravan.
We aten wat de pot toevallig schafte. Het leek nog het meest op een grauw bord bami goreng, maar het smaakte heel goed en kostte een paar kwartjes. We kwamen in de koelte van de bomen, en afgeschermd van het verkeerslawaai weer helemaal bij om ons in een volgend avontuur te storten.

Verfrist en verkwikt begaven we ons per fietsrikshaw naar de Jama Machid. JW wond zich alweer op over de gekozen route. Hij besefte (nog) niet dat een rikshawfietser heus niet meer zal trappen dan strikt nodig is om iemand ergens heen te brengen. Hij er moet nog aan wennen beslissingen uit handen te geven.

De Jama Machid is nog volop in gebruik. Het was er druk. Men waste eerbiedig zijn voeten in het grote waterbekken midden op het enorme plein en de mannen gingen gebeden zeggen op de tapijtjes in de moskee. Het prachtig gevormde gewelf wordt nog altijd ontsierd door een monsterlijke kroonluchter die hier totaal misplaatst is. Hij heeft alleen nut voor de duiven die er hun uitkijkpost van maken.
Overigens viel ons weer op dat er beter voor de duiven wordt gezorgd dan voor de mens, want er werden zakken vol graan voor hen uitgestort.

Turend naar de prachtige koepels in de middagzon, zag ik ineens hoe geraffineerd en bijna onopvallend sommige details in elkaar grepen. De boog van de toegangspoort onder de bolle koepels was namelijk zo gebouwd dat het precies een halve holle koepel was!

Delibererend wat we nu gingen doen, stelde JW voor om het straatje Naisarak te lopen. Hij had ergens gelezen dat dit de moeite waard was, omdat er antiquairtjes zaten.
Het werd het mooiste straatje van ons leven. Niet alleen omdat horden fietsrikshaws in een grote kluwe zaten verward en niet meer voor- of achteruit konden, maar ook omdat hier poort-aan-poort de papiergroothandels zaten en duidelijk goede zaken deden. Je kon over de hoofden lopen, en tussen alle mensen door renden behendige mannen met zware vrachten papier af en aan, en met alles wat van papier maar kon worden gemaakt. Kaftpapier, pakpapier, kastpapier, behang, feestpapier, slingers, schriftpapier, schriften, kasboeken, agenda’s, logboeken, dagboeken, kaarten, tarotkaarten, fantasiekaarten, postpapier, enveloppen, om maar een paar voorbeelden te noemen. Een lust voor het oog.

Na de papierwinkels volgden stratenlang de stoffenzaken van het meer volkse soort. Sari’s in alle kleuren die maar één ding gemeen hadden: dat ze wanstaltig glommen van het vele valse goud of zilver. Winkel na winkel, waar de mannen op met lakens bedekte tapijten wachtten op klandizie. Drommen vrouwen die zich de stoffen lieten uitvouwen en bepakt en beladen de winkel verlieten. Delhi is niet na te vertellen. Wat je om je heen ziet tart elke verbeelding.

Motorrikshaw genomen naar het Jan Path omdat we nog een keer naar de Tibetaanse markt wilden gaan. Het was weer een enorm end rijden, scheuren, hobbelen, snijden, en koolmonoxide snuiven. We werden op de juiste plaats gedropt. De mannen gingen op jacht naar een biertje terwijl Els en ik ons op de winkeltjes stortten. Eerst gekeken bij de Tibetanen, waar de handel voornamelijk uit sieraden en kleine snuisterijen bestond. Daarna doorgestoken naar de Kashmirzaken die goede textiel te bieden hebben. Els vond een dunne wollen omslagdoek die ze graag wilde hebben en ik een stevig tafellaken waaronder ik in trein en in de woestijn kan slapen. Samen vonden we tot slot in een zeer chique stoffenzaak waar alleen zijde werd verkocht, een tweekleurige lange shawl van soepele chiffonzijde. Els nam een bruine en ik een blauwe. We brachten de verkoper totaal van zijn stuk toen we gingen afdingen en konden niet vermoeden dat we nog bij hem terug zouden komen.

Hein was zo verrukt van onze shawls, dat hij ze ook voor zijn dochters wilde kopen. We gingen dus met z’n vieren weer terug, maar ze hadden de goede kleur niet meer. Onze deftige verkoper zou er echter voor zorgen dat ze nog ’s nachts werden gemaakt. Morgen zouden ze worden afgeleverd op het station.

Omdat we weer dicht bij L’Arabe waren, het restaurant dat we gisteren hadden ontdekt, besloten we daar te gaan eten. Het viel helemaal niet tegen. Lamskarbonaadjes, heerlijke vis, verse spinazie, raita, naan, rijst, jus d’orange, koffie, toetje, alles tezamen voor twaalfvijftig per persoon. We zaten er heerlijk rustig en koel op prettige stoelen en werden bijzonder vriendelijk bediend. De koffie was, zelfs naar Hollandse begrippen, van superieure kwaliteit en dit wil in India wat zeggen.


Delhi | Treinreis | Udaipur | Jodhpur | Jaisalmer | Desert Camp | Pushkar | Jaipur | Agra | Delhi(2) | Naar Goa | Opmerkingen