Noord India

sieraad uit Jaipur

Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Delhi
Jaipur
Pushkar
Bharatpur
Agra
Jhansi
Khajuraho
Varanasi
Calcutta
Bhubaneswar
Puri
Delhi2

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speldVrijdag 5 januari (vervolg)

Toen ik dan eindelijk lekker onder zeil was geraakt, werd ik ruw door een stel theeverkopers gewekt. Ze bleken iedereen die sliep hard in hun tenen te knijpen. Ze hadden ook vliegende haast want zodra de trein vertrok moesten ze weer buiten zijn. Om zeven uur begon langzaam het leven, want om acht uur liepen we binnen in Calcutta. Marlous was weer boven jan, maar Miguel was beroerd geweest. Joost had met de grote bronzen olifant tussen zijn benen moeten slapen omdat er geen plaats was om hem ergens kwijt te raken. De rest had een goede nacht gemaakt.

Zodra de trein was gestopt stapelden twee kruiers zonder bedenken onze loodzware koffers op hun hoofd en zetten er de kuierlatten in op hun blote kakkies. Het was spurten om ze bij te houden. Miguel arrangeerde voor het station drie taxi’s die op het eerste gezicht al met touwtjes bij elkaar gehouden werden, maar bij nadere beschouwing bleken er geen betere te bestaan. Onze chauffeur begon een racepartij op leven en dood om de beide andere taxi’s voor te blijven, reed tegen het verkeer in, schepte bijkant armen en benen, en donderde er ons met bagage bij het hotel razendsnel uit.

Het hotel was geweldig, al waren de kamers om negen uur nog niet klaar. Zalen in een voormalig overheidsgebouw met eindeloos lange stenen gangen. Nog nooit zulk sjofel sanitair gezien waar zo heerlijk veel roestig heet water uitkwam. Geen schoonheidsprijs, maar de lekkerste douche van de reis!
Vloer genoeg om onze koffers open te leggen en nog een wandeling door de kamer te maken hoewel er meerdere stoelen, krukjes en tafels stonden. We begonnen meteen overtollige bagage op stapels te leggen en zijn vanmiddag met Miguel (nog niet voldoende uitgeziekt) bij de posterijen gaan informeren hoeveel een baal zeepost verzenden kost. Meteen een grote sporttas gekocht zodat het pakket morgen weg kan.

Museum bekeken waar veel fraaie beelden waren, en vervolgens teruggelopen naar het hotel. We dachten dat Varanasi al druk was en te voet onbegaanbaar, maar Calcutta slaat alles. Er hangt een smog om beroerd van te worden. Bussen, trams en personenwagens (nog stammend uit de koloniale tijd?) dampen hun roet zo je snufferd in. Alles in de straten is dan ook zwart en vuil. Maar de mensen doen opgewekt en monter zaken. Het rustige geslenter is hier voorbij. Dit is een wereldstad (en havenplaats) waar tijd geld is. Het is aan alles te merken.

We zitten gelukkig in een buurt waar weinig is te merken van de erbarmelijke misstanden waarom Calcutta berucht schijnt te zijn. Lijken op straat, verslaafden, melaatsen, blijven ons bespaard. Het verschil tussen Calcutta en Delhi is zoiets als tussen Amsterdam en Den Haag. Veel jonge vrouwen in Calcutta gaan westers gekleed, en de mooie armbanden aan de linkerpols zijn vervangen door horloges.

speldZaterdag 6 januari

Calcutta! Uitroepteken. De meest Indiase stad van alle steden, of de stad die in alles afwijkt van wat we tot nu toe hebben gezien? De sfeer is heel anders. De bevolking is goedlachs en vriendelijk, maar het tempo ligt behoorlijk hoog. Grootsteeds. Koeien zijn uit het straatbeeld verdwenen, evenals fiets- en autorikshaws. Hier en daar zie je nog looprikshaws, maar het zijn er niet veel meer. Bussen, trams, trucs, duizenden gele taxi’s maken wegen en kruispunten onveilig. De ogenschijnlijke chaos is hier even groot als overal.

Vanmorgen redelijk vroeg op pad gegaan met onze nieuwe tas waarin bijna 15 kilo bagage zit. Over alle hekken, railingen, bomen en struiken hingen wasjes te drogen, die voornamelijk uit lappen bestaan. Moet je voorstellen dat Amsterdamse bewoners hun was over dranghekken te drogen hingen, midden tussen het roetuitblazende verkeer. Bij de openbare pompen waarvan er behoorlijk wat zijn, staan mensen zichzelf en hun kleren te wassen. Het is een kostelijk gezicht. Vanmorgen gezien hoe iemand zich inzeepte met een handvol stro. Prima huidmassage!

Wij hadden met de tas een taxi genomen naar de GPO (General Post Office) en Miguel en Marlous kwamen lopen. Toen zij arriveerden was onze baal al bijna ingenaaid in een lap wit katoen. Op elke nieuwe aanhechting van draad kwam vervolgens een lakstempel. Het mannetje dat dit verzorgde had heel wat lakjes nodig, en dit tikte voor hem mooi aan. We moesten een half uur wachten en werden toen uitgeleverd aan een douanebeambte. Deze had de inhoud moeten controleren voordat de tas werd ingenaaid. Het contact verliep na een fooitje gelukkig prettig, dus de boel werd uitgeklaard als "Dutch old stuff to Holland". Er zat ook niet meer in de tas dan gelezen boeken, reisgidsen, schoenen en gedragen kleren die we niet meer nodig zouden hebben. We zouden later op dit pak geen invoerrechten hoeven betalen. Kostten van verzending inclusief innaaien, zegels, thee en steekpenningen fl. 66,50.
Overgewicht op de luchthaven is heel wat prijziger.

Nadat onze baal uit het zicht was verdwenen namen we een taxi naar de Kali-tempel. Hier vielen we met de neus in de boter want het was pelgrimsdag. Dames, heren en kinderen schuifelden in trance rond in hun mooiste outfit met offermandjes vol bloemen, fruit en groente. Er waren ook dames die alleen een wortelvormige radijs te offeren hadden. Ze drukten elkaar bijna plat om de tempel binnen te komen. De tempelwachters werden door de extatische menigte zowat onder de voet gelopen.

Wij werden rondgeleid door een enthousiaste monnik die ons nogal belerend onderrichtte, maar JW wel toestond om de hysterie om ons heen te filmen. Het was onvoorstelbaar. Overal zaten gezinnen met kinderen op de grond in gezelschap van een priester, die van vieze schotels en schalen kleine hapjes in hun opgehouden handen legde. De mensen namen, diep in gebed verzonken en met gesloten ogen, deze goddelijke gaven in ontvangst. Overal rode en gele stippen, rode en gele verf, rode en gele bloemen, rode en gele etenswaren, en een geur om bij neer te vallen.

Van de tempel gingen we naar de offerplaats waar geiten en buffels werden geslacht. Buffels alleen op hoogtijdagen, en geiten in de gewonere doen. Er lag nog een berg smurrie van wat met enige fantasie best een beest geweest had kunnen zijn. Bijna in katzwijm vallende vrouwen roerden in die donkerrode brei, sloegen een soort kruis en doopten hun hand vervolgens in een emmer met gewijd water. Dit water was inmiddels zo ontiegelijk goor, dat ik er bijna van moest kokhalzen. Zo kunnen dus in naam van de goden hele volksstammen worden besmet.

Daarna werden we naar een afgodsbeeld geleid. Het was een zwart “iets” met rood beschilderd, dat door bergen bloemen aan het zicht werd onttrokken. Hier smeekten jonge paren vruchtbaarheid af, en kwamen zij hun baby tonen zodra die was geboren. Tenslotte gingen we naar een lange, stinkende gang waar monniken in kookpotten stonden te roeren. Het stonk er walgelijk. Misschien zat er wel geitenbloed door het eten in die pannen. Het was de gaarkeuken voor de armen die elke dag om vier uur een nap eten krijgen. De gang lag vol met oude en verminkte mensen en eindigde in een oase. Het bekken met heilig water uit de Ganga, per pijpleiding aangevoerd, waarin pelgrims zich konden wassen. Daar stond een mooi eenvoudig marmeren beeld van Shiva, maar wassers waren er niet op dit uur.

Het was de bedoeling dat we nu iets in het potje voor de armen stopten, hetgeen we deden. Toen werden we door de monnik losgelaten, zodat de hele kermis aan extatische mensen over ons heen kon walsen. We waren bijna buiten adem toen we de straat weer bereikten. Geen water, geen drankje te krijgen terwijl we stierven van de dorst. Geen taxi ook die ons wilde meenemen, tenzij tegen woekerprijzen. We troffen er tenslotte een die bij het instappen dertig vroeg, maar eenmaal bij Victoria gekomen zestig wilde hebben. Hij kon ons de boom in en wij lieten hem scheldend achter.

We zakten uitgeput neer op het smerige grasveldje voor Victoria. Zonder hap of drankje kwamen we daar wat op adem. Nog nauwelijks bekomen van de hersenspoeling in de tempel, toch maar het Victoria binnengegaan om de Britse schatten te bekijken. Het meeste was niet bijster interessant, zelfs lelijk en grof in vergelijk met de fijne Moghulkunst, maar er hingen wel enkele mooie aquarellen die dit bezoek toch aardig maakten.

Bij de uitgang liepen we Ruud en Joost tegen het lijf die geen tijd kregen om iets te bekijken, hoewel zij entree hadden betaald. Victoria werd plotseling door een groep geuniformeerden schoongeveegd, omdat een of andere hoge piet met zijn gevolg naar binnen moest. Het gepeupel moest dus wijken voor de macht.

Ons volgend project werd de metro. JW dacht dat hij de kortste weg gevonden had, maar dit bleek een blokje om. Niettemin vonden wij een ingang. Marlous was zo slim om een strippenkaart te kopen, en toen zoefden we drie haltes ondergronds als sardine in blik, want druk is druk in Calcutta.
Weer boven de grond viel ons oog dan eindelijk op het woord “Bar”, wat gewoon een Chinees bleek te wezen. We konden er alleen iets drinken als we er ook iets aten. Er zoefde een ijskoude airco waarvan we prompt gingen niezen. We bestelden fingerchips en sweet corn soup met dubbele lemon-soda’s. De soep was onverwacht lekker.

Tussen de handelaars en schoenpoetsers door naar huis gesloft. We hadden bijna geen voeten meer, en we waren murw van de smog, de herrie en de continu film die aan ons oog was voorbijgetrokken. Helaas werd JW opgewacht door een schoenpoetser, aan wie hij 's morgens overmoedig zijn klandizie had beloofd. De man was blijven wachten en ik maakte me snel uit de voeten. Ik had gisteren gezien hoe een paar suède schoenen dik met vet werden ingesmeerd. Boven onze dampende waterkoker stoomde ik mijn schoenen zelf weer netjes.

India is alleen al doodvermoeiend omdat je al die schitterende sari’s en kleurcombinaties in je wil opnemen. Je komt ogen te kort om alles goed te bekijken. De vrouwen dragen onder de sari een half T-shirtje met laag uitgesneden hals, dat ver boven de navel ophoudt. Meestal in een van de kleuren van de sari. Er zijn zulke strakke mouwtjes ingenaaid, dat je niet snapt hoe ze zich kunnen bewegen.

De lelijke mode om aan elke vinger een ring te dragen komt kennelijk uit Calcutta. Vooral mannen sieren zich protserig op door aan vier vingers van één hand dikke ringen te steken. Vrouwen dragen minder ringen maar steken de rijkdom in hun neusvleugel.

Of iemand welgesteld is zie je vooral aan de sari, want goud, briljant en stenen kunnen vals zijn. Sari's zijn er in allemogelijke kleuren, dessins en kwaliteiten, al dan niet afgezet met randen van borduursel of brokaat. De lappen die in de toeristenwinkels hangen hebben nooit van die sprankelende kleuren. Ze bevatten meer gedempte en gemengde tinten en meestal geen mooie dessins.

Arme vrouwen dragen vaak grof geweven effen sari’s in beige of bruin, zonder versiering. Het weefsel is sterk en mooi. Daarop volgt een scala aan fijne katoentjes in allemogelijke fijne bloemmotiefjes, ruitjes of kleine geometrische figuren. De sari’s zijn zes à acht meter lang en de stof moet om het lichaam heen geplooid worden. Zo te dunner de stoffen, zo te soepeler ze vallen en zo te duurder ze zijn. Voorname dames dragen ragdunne zijde. De slip van sari's is meestal in contrasterende kleuren geweven en met randen versierd. Hij wordt los over de schouder gedragen of als cape om de schouders geslagen. Islamitische vrouwen dragen hem als sluier over het hoofd wat zeer elegant is.

Ook de dunste stofjes worden gewassen door ze hard op de stenen te slaan. Een zijdefabrikant vertelde dat dit goed was om de "draad te strekken". Die dunne stoffen zijn na het wassen snel droog. Het is een prachtig gezicht om sari's in het gras te zien liggen. Ze knopen ze ook overal aan vast: balkons, torens, bomen of palen. Als je bij huizen was ziet drogen kun je aan de lappen zien hoe welgesteld de bewoners zijn.

In Calcutta zie je voorname mannen geen omslagdoeken of hoofddoeken meer dragen. Hier gaat een man die meetelt westers gekleed. In andere plaatsen die we bezochten was de lap nog onderdeel van de mannenkleding. De oudjes wikkelden zich van witte katoen een ingewikkelde broek (komt hier het woord ingewikkeld vandaan?) en van felbonte lappen worden door Sikhs de fraaiste tulbanden gevlochten. Omslagdoeken van katoen of wol werden zowel door mannen als vrouwen gedragen. Blijkt trouwens bijzonder praktisch te zijn en heerlijk behaaglijk, ook voor ons.

Van de jongere mannen in de provincie dragen er weinig nog zo’n ouwemannetjes wikkelbroek. Een katoenen pyjamabroek met overhemd tot op de knieën van dezelfde stof is een gangbare dracht. Er zijn streken waar jongens op een speciale manier een wollen sjaal om hun hoofd binden. Misschien als vervanging van de bewerkelijke tulband?

speldZondag 7 januari

Laatste dag Calcutta. Benauwd van de smog en een tikkeltje gaar van deze uitputtende stad verlangen we naar het buitenleven. Iemand heeft het briljante idee om naar de Hortus Botanicus te gaan, aan de andere kant van de rivier waarover in de reisgids hoog wordt opgegeven.
We nemen een taxi naar de ferry die op loopafstand blijkt te zijn. Een vaartochtje kost 2 rupees per persoon, wat neerkomt op een dubbeltje.

Pas na afvaart blijkt dat we de foute kant opvaren wat ons niets kan schelen want de boottocht is verrukkelijk. We reizen twee of drie stops stroomafwaarts en komen zowaar aan de achterkant van het station. Dit is wel een heel korte route om bij de treinen te komen.

Omdat we niet uitstappen wordt ons kaartje ook niet gescheurd. We tjoeken weer gratis stroomopwaarts naar de plaats waar we zijn ingestapt. Een behulpzame Indiër wijst ons de ferry die we moeten nemen. Deze legt aan aan de schuit waar we eerst op voeren. Moet je ook maar weten!
Nu gaat de tocht (nog steeds op hetzelfde kaartje) stroomopwaarts, onder een mooie brug door. We passeren talloze wasplaatsen waar gezinnen bezig zijn met hun toilet. De halfnaakte mannen schuimen zich kwistig in met zeep en zien er mal uit met blikkerend schuim op hun donkere lijven. Ze houden hun broek of omslagdoek aan.
De vrouwen baden in sari en trekken alleen hun hesje uit wat zeer decent gebeurt.

We zien hoe iedereen, van groot tot klein, zijn eigen kleren wast. Ze zepen hun lappen in, slaan er verwoed mee op de keien, wringen en spoelen op een manier die Hollandse textiel niet zonder scheuren zou doorstaan, en leggen of hangen de boel dan tegen taludjes te drogen. Het schouwspel dat we in Varanasi door het slechte weer misten, halen we hier ruimschoots in.

De botanische tuin strekt zich voor een gedeelte uit langs de rivier. Van grote afstand zien we daar een duizendkoppige menigte aan de wandel. We hebben ondertussen ervaren dat je van Indiërs weinig last ondervindt en snakken naar een rustige middag tussen het groen. Als we de ferry aflopen wordt eindelijk ons kaartje geïnd.

We weten niet of we meer naar de bomen of naar de lapjes moet kijken want alle vrouwen zijn op z’n zondags. Veel hesjes zijn vandaag rijk geborduurd. Er flaneert batist en zijde rond in de meest opwindende kleurcombinaties, of in eenvoudig wit of zwart met prachtige borduursels. Je kunt het zo vreemd niet bedenken of het paradeert door de tuin die eigenlijk te vies is om te bekijken. Bekertjes, zakjes van plastic, zakjes van krant. Zoals overal is het een gore boel. Bij sommige bomen staat een bordje met uitleg, maar wel uit lang vervlogen tijden en dus niet meer te lezen. Geiten doen zich te goed aan wat jonge aanplant is geweest, en koeien zijn hier ook.

Behalve de vrouwen zien ook de kindertjes er adembenemend uit. De jongetjes zijn het mooiste. Stijf van borduursel zitten zij op vaders arm, vaak met beschilderde ogen, terwijl moeder er een half metertje achter loopt.
De jonge dochters zijn duidelijk minder in tel. Sommige dragen wanstaltig zelfgehaakte kleren waarin zij er uit zien als ballonnen. Ze moeten bijna stikken in hun wol, want de zon is vandaag heerlijk.

We wandelen de tuin wat door, vinden de wijdste boom ter wereld (denken we) en strekken ons een uurtje uit op het gras, met chai van een verkoper. Om vier uur nemen we de ferry terug. We worden ongevraagd middelpunt van een aardige groep jonge mensen die inschuift om ons een zitplek te geven, en daarna alles van ons wil weten. Dolle pret, foto’s maken over en weer, adressen uitwisselen, banaantje cadeau. Ze hangen aan Marlous d’r lippen, willen allemaal naast haar zitten. De halve boot leeft mee met onze “happy family”, want iedereen denkt dat wij pa en ma zijn en Miguel en Marlous onze dochter en zoon.

Dit Happy Familiy gevoel houden we ook nog ‘s avonds in de keurige bar van een duur hotel waar we als vorsten worden bediend, maar niet blijven eten. We gaan gewoon een deurtje verder naar een goedkope Chinees.
Na tafel verhuizen we allemaal naar de kamer van Ruud en Joost, die we tot de avond mogen houden. We kunnen ons daar nog verfrissen en er is ruimte genoeg voor acht personen. Om half negen met drie taxi’s naar het station. Op de brug zit het verkeer zo vast dat onze schoongewaaide longen meteen weer verziekt worden door uitlaatgassen. Het wordt een eindeloze rit terwijl de afstand nauwelijks iets om het lijf heeft.

Bij het station geen dragers genomen maar een soort arreslee waarop alle bagage ineens versjouwd kon worden. Werkte perfect omdat deze grote kar ons in zijn kielzog meetrok. Er was anders geen doorkomen aan geweest.

 


Delhi | Jaipur | Pushkar |  Bharatpur | Agra |  Jahnsi | Khajuraho |  Varanasi | Calcutta |  Bhubaneswar | Puri |  Delhi2