Noord India

sieraad uit Jaipur

Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Delhi
Jaipur
Pushkar
Bharatpur
Agra
Jhansi
Khajuraho
Varanasi
Calcutta
Bhubaneswar
Puri
Delhi2

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speld20 december 1995

Jaipur

Vandaag staat de busreis naar Jaipur op het programma. We ontbijten met een knisperende croissant in onze ontbijtkroeg bij het parkje langs de Asaf Ali Road waar ze olifantenrijles geven. Op weg erheen maken we film en foto’s van een notariskantoor dat op straat praktijk houdt. Gammele bureaus, tafels en tafeltjes, krukjes en typemachines worden elke dag naar buiten gezeuld. Het trottoir wordt afgeschermd met oude lappen tegen inkijk en zon. Een vrouwelijke notaris zit met een doos stempels achter een kolossaal boek en laat zich graag filmen.

De bus die we twintig dagen zullen houden is ruim, heeft behoorlijke stoelen en rose gordijntjes tegen de zon. De rit naar Jaipur zal naar schatting zes uur duren, al bedraagt de afstand maar 170 kilometer. De N8 is vrij behoorlijk maar razend druk. Halverwege mogen we een korte plasstop maken in een speciaal voor toeristen aangelegd wegrestaurant en rond drie uur komen we op bestemming. Het grootste deel van de rit heeft iedereen geslapen.

Met snijdende kou uit Delhi vertrokken, zijn in de loop van de dag de wolletjes uitgegaan. De chauffeur rijdt niet onplezierig, maar je moet niet schrikken van inhaalmanoeuvres waarbij er hoogstens twee centimeter ruimte overblijft. Verder wordt er de hele weg door geclaxonneerd, zowel door onze eigen bus als door elke andere medeweggebruiker. Dit overmatig signaal geven schijnt een verkeersvoorschrift te zijn. We staan wel te kijken van de vele koeien die aan het verkeer deelnemen, ook op de grote weg. Ze gedragen zich onverstoorbaar en weten van geen wijken.

In Jaipur blijkt het een stuk warmer dan in Delhi, ook 's avonds. De stad is uitgesproken provinciaals. Meer fruit en groente, veel meer koeien, geiten, schapen. We zien ze zelfs gemolken worden midden in de stad en snappen niet hoe dit systeem werkt. Aan wie behoort de melk? Is het waar dat de Brahmanen hem onder de armen verdelen?

Nieuw in het stadsbeeld zijn de vele dromedarissen die loodzware karren trekken, of verwaand met een berijder op hun bult door de straten stappen. Ze hebben iets hooghartigs, deze tractoren van de woestijn. Ze houden hun neus altijd opwaarts en kijken meewarig neer op het gekrioel beneden hen. Ze moeten het hier stellen zonder de bontgeborduurde zadeldekken die we in de woestijngebieden van Jordanië zagen en zonder hoofdstellen met kleurige kwastjes. Wel stappen veel dromedarissen rond met een rood bloemetje bij hun oor.

Olifanten zie je hier ook rondschommelen, evenmin rijk uitgedost. Oren en gezicht zijn meestal beschilderd met grote bloemen. Rijden op een olifant lijkt me geweldig. In het ontbijtpark in Delhi heb ik er ademloos naar staan kijken. Maar als de lomperd door de knieën gaat om je te laten opstappen, moet je goed kunnen klauteren want anders glijd je over zijn leren vel zo weer naar beneden.

Jaipur is bijna even druk als Delhi, maar anders van sfeer. De mensen lijken stugger. Zo te zwaarder de grond zo te zwaarder het volk, luidt een gezegde, en Jaipur ligt aan de woestijn. Het is anders wel een prachtig volk en de kleuren van de kleding kun je hier uitbundig noemen.

Wij logeren in het huis van de voormalige Rawal van Bissau, net tegen de stadsmuur vlak bij Chandpol Gate. De wanden van de lounge hangen vol opgezette dieren, geweren en vergeelde foto’s. We worden ondergebracht in maisonettes die allemaal nogal bizar zijn ingericht. Wij treffen een Turks hemelbed dat vreselijk smal is, hard als beton en te weinig dekens heeft.

Het was net een kermisattractie toen wij met tienen vanavond twee rikshaws huurden om naar Digi Palace te gaan aan de zuidkant van de stad die anderhalf miljoen zielen telt. Beide heren scheurden wedstrijd met elkaar, vlogen over hobbels en keien, scheerden langs koeien en mensen, sneden personenauto’s af, gingen op twee wielen door de bocht, maar brachten ons waar we wilden zijn. Ze bleven wachten tot wij gegeten hadden en brachten ons op dezelfde snelle wijze terug.

De armoe is mensonterend en om moedeloos van te worden. Bedelende kinderen te over, maar je kunt ze niets toestoppen want ze houden elkaar in de gaten. Geef je één kind iets, dan duikt uit het niets een horde op je af die je moet teleurstellen. Dit is nog veel verdrietiger dan helemaal niets geven. Terecht worden ze dan agressief want ze lijden honger. Zo leer je met schade en schande dat je geen fruit of lekkers moet kopen op straat. Je hebt van de verkoper het zakje nog niet in handen gekregen of je wordt beetgepakt door uitgemergelde kleintjes. Er is ook geen noodzaak om iets tussendoor te kopen als je drie keer per dag een maaltijd krijgt.

Ik neem weinig foto’s omdat ik eerst moet verwerken wat ik zie. Ik voel me geremd om plaatjes te schieten van de onvoorstelbare armoe die open en bloot op de straten is te zien. Enorme ratten, hoe kan het anders, maken ook deel uit van het straatbeeld. Boven de stad cirkelen gieren in groepen rond. De natuur als reinigingsdienst.

De buurt bij de Chandpol Gate is één open riool. Wie moet poepen hurkt boven de goot. Schoolkinderen zie je ’s morgens op een rijtje naast elkaar hun behoefte doen. De oude mannen die vrijwel allemaal nog traditioneel gekleed gaan hoeven alleen maar neer te hurken en hun ingenieuze wikkelbroek over beide billen opzij te schuiven. Plassen gebeurt door mannen trouwens ook hurkend, met het gezicht naar de muur of de goot. Zo blijven ze lenig tot op hoge leeftijd. Je snapt niet hoe schoon die witte broeken blijven. Arm of rijk, maar de kleren worden elke dag gewassen.

Er zijn aanzienlijk meer mannen dan vrouwen op straat. Islam vrouwen behoren zich niet in het openbaar te vertonen. Maar godsdienstregels gelden alleen voor welgestelden. Wie arm is leeft met zijn hele familie in een portiek of op de stoep. Het hele bezit bestaat meestal uit een bundeltje lappen en een hoge stapel aluminium etensnappen want kinderen heeft iedereen in overvloed. Al wandelend val je als toevallige passant van de ene emotie in de andere. Ontroering, afschuw, bewondering voor hun levenskracht, vertedering en medelijden wisselen elkaar in hoog tempo af. Niets van het leven wordt hier verhuld, zoals in Indonesië bijvoorbeeld waar de buitenkant zo stralend lijkt omdat de armoe - die er wel degelijk is - angstvallig tegen vreemde ogen wordt afgeschermd. Hier kijkt niemand vreemd op van een ander en lijkt niemand zich beschaamd te voelen want arm zijn is geen schande. Ondanks de misère wordt er met elkaar gebabbeld en gelachen. Een doodziek omaatje ligt zomaar in het zand tussen twee kleinkinderen die kennelijk op haar moeten passen. Ze zwaait me toe met een zwak handje. Ik zwaai verward terug omdat ik niet weet of ik zal lachen of huilen.

Vanmiddag met een fototoestel door deze buurt gelopen wat ik heb geweten. In spijkerbroek en zonder tasje was ik geen vette vis, maar met een camera natuurlijk wel. Kinderen en vrouwen kwamen als vliegen op me af. De oude vrouwen waren het ergste. Telkens als ik de rits van mijn tas openschoof om mijn toestel te pakken of weg te bergen doken ze weer uit het niets tevoorschijn. Ze plukten aan mijn kleren en grepen me bij de arm. Dit was te afschuwelijk voor woorden. Ik voelde me onmachtig iets aan hun leed te doen en was bang voor hun aanrakingen. Alle entingen ten spijt ben je als westerling niet bestand tegen Indiase handen waarmee billen worden afgeveegd, zweren opengekrabd of neuzen uitgepeuterd.
Ik dwong mezelf kalm te blijven want ze konden ook niet helpen dat ze honger hadden. Ze waren echter hardnekkiger dan horzels en bleven me straten lang achtervolgen terwijl ze me bijna huilend “mama, mama” noemden, en me daarna spuwend verwensten.

De toeristen kunnen het hongerprobleem in India niet oplossen. De rijkdom is er nog altijd verkeerd verdeeld en hierin zal ooit verandering moeten komen. Maar omdat het diepgaand samenhangt met kastesysteem en godsdienst, kan het nog lang duren voordat het zover is.
Als je India hebt gezien vraag je je wel af hoe die rijkdom in hemelsnaam verdeeld kan worden onder die ontelbare arme mensenmassa’s. Holland dichtbevolkt? Moet je India eens kijken! De armen baren zoveel mogelijk kinderen in de hoop dat er eentje tussen zal zitten die later wat geld kan verdienen. Maar al die kinderen blijven arm, en jongen op hun beurt weer verder. De stakker die werkelijk een baantje vindt moet de hele familie onderhouden, ooms, tantes, neven en nichten inclusief. Daarbij is India waanzinnig groot, zoiets als van Lapland tot Spanje en dichtbevolkt met straatarme mensen die er toch nog schoon, aantrekkelijk en kleurig uitzien en beste van hun leven maken. Weerzinwekkend, adembenemend, hartverwarmend. Maar als ooit de tijd zal komen dat deze mensenmassa's niet langer gelovig zijn, en hun erbarmelijk lot niet langer gelaten ondergaan als voorportaal naar een beter leven, dan zal India op haar grondvesten schudden.

Hoewel ik naar mijn gevoel behoorlijk gekleed ging in jeans en hemd met lange mouwen, kneep een in het zwart gehulde moslimvrouw me venijnig in een bil. Ik draaide me woedend om. Ze gebaarde dat ik mijn hemd over mijn broek heen moest dragen in plaats van er in, maar ze kon me wat. Er leven in deze streek meer fanatieke moslims. Onlangs las ik in een reisverslag dat in Jaipur een vrouw zo hard door een woedende man in haar borst werd gebeten, dat het bloed in haar beha stond. Hij had onverhoeds zijn kop onder haar arm doorgestoken. Je kunt maar beter gewaarschuwd zijn.

speld21 december 1995

Na een te duur ontbijt per rikshaw naar het City Palace, een gigantisch complex met fraaie binnenplaatsen waar alle rumoer van de stad werd buitengesloten. Hier kon ik naar hartelust fotograferen. Er waren enorm veel sierlijke boogjes en kolommen, zwaarbeslagen deuren en wonderlijke raampartijen. In ruil voor drie sigaretten wilde een oude baas in versleten uniform met mottige hoge rode muts graag poseren.

Het meeste indruk maakte de pauwenhof met zijn vier beschilderde portalen en fraai bewerkte bronzen deuren. In de library genoten we van beeldschone prenten, boeken, boekenrollen in minuscuul handschrift verluchtigd met ragfijne prentjes, gobelins, tapijten en wat er zo verder lag uitgestald. Op de eerste verdieping was een textielmuseum waar vooral de brocaatzijdes in door oudheid uitgebleekte kleuren geweldig waren.

Tot slot in alle rust in een stil atelier rondgehangen waar de verf nog bijna nat was. We waren de enige klanten en eerst werd alles voor ons overhoop gehaald. Na een kommetje thee brak het ijs en mochten we zelf wat tussen de voorraden snuffelen.

Na deze culturele douche namen we een fietsrikshaw naar de Hawa Mahal, het Paleis van de Winden. We troffen een oud baasje dat ons voor 5 rupees (kwartje) wilde rijden. Hij kletste aan een stuk door, terwijl hij daarbij achterstevoren op zijn sleetse zadel ging zitten. We schoten voor geen meter op en het was levensgevaarlijk. Even later begrepen we dat hij telkens door een praatje weer wat op adem moest komen. Toen de weg wat begon te stijgen kon hij niet meer. Hij stapte af en wilde ons duwen. We hebben de man zijn kwartje gegeven en zijn verder gaan lopen.

Staand voor het Paleis van de Winden, een enorme façade van rode steen die zeer symmetrisch is gebouwd met opmerkelijke raampartijen (van waaruit haremdames het straatleven konden bekijken zonder zelf gezien te worden) werden we aangesproken door een runner. Zodra we dit merkten deden we of hij lucht voor ons was. We liepen weg van het paleis, maar hij bleef naast ons lopen, steeds opnieuw proberend een praatje te maken. Hem woedend wegjagen zou ongepast zijn, want hij was vriendelijk en in zekere zin zelfs bescheiden. Alleen begon zijn hardnekkige geduld ons op de zenuwen te werken en dit is nu precies de tactiek van een runner.

Omdat we de uithangborden met Indiase letters niet konden lezen vroegen we hem tenslotte maar om ons naar de “LMB” te brengen, een eenvoudig restaurant dat in de reisgids werd aanbevolen. Het was vlakbij en hij ging mee naar binnen. Hij hielp ons bestellen maar wilde zelf alleen maar een glas water drinken. Vanzelfsprekend ging hij ook weer met ons mee naar buiten want we hadden onderwijl toch ietstegen hem moeten zeggen. We wisten nu dus dat hij vijftien was en nog scholier. Hij “runde” voor zijn broer die net als zijn vader en opa edelsmid was. Hij bracht ons uit zichzelf naar de bloemenmarkt waar hij de verkoopsters vroeg of wij mochten filmen. Die poseerden bevallig tussen de bergen bloemen zonder steel, want Indiërs zetten geen bloemen op water maar rijgen er alleen maar slingers van. Terwijl wij het celluloid volschoten hield hij de koeien op een afstand die steeds probeerden naar de sappige bloemen te happen.

Nu was er geen ontkomen meer aan mee te gaan naar zijn broer. We liepen terug naar de brede straat van het Paleis van de Winden. Tegenover het paleis stonden hoge herenhuizen. Bij nadere beschouwing bleken alle souterrains en verdiepingen winkels te bevatten. Op het trottoir ervoor verdrong zich een horde schreeuwende runners. Onze gids loodste ons door de drukte naar een stenen trap die toegang gaf tot een van de hoge huizen. Er hing een bord naast de voordeur met talloze namen die voor ons onleesbaar waren. Binnen merkten we dat niet alleen elke verdieping, maar zelfs elke kamer een zelfstandige winkel bevatte. Ook op de tussenverdiepingen was achter glazen deuren gevarieerde koopwaar te zien.

Na een stuk of zes trappen kwamen we op een stenen zolder waar een eerbiedige stilte hing. Er hing een zware geur van wierook en jasmijn en er brandden vele kaarsjes. Duidelijk een huistempel. De kast met glazen ruit waarachter een Ganesha in gedrapeerde zijde pronkte, leek met zilver beslagen en was rijkelijk versierd met verse bloemenkransen. Achter de glanzende schrijn hingen witte draperiën waarop bonte kerstboomlichtjes waren vastgezet.

We klommen nog een trap hoger en bereikten het dakterras. Het was tenminste ooit terras geweest met een prachtig uitzicht op het paleis. Nu stonden er gammele winkels en in één ervan gingen we binnen.
We werden hoffelijk ontvangen met thee. Al waren we op onze hoede, dit hadden we toch niet verwacht. Een goudsmidse lag achter de kleine winkel waar oude prenten, zilver en sieraden lagen uitgestald. Terwijl mijn partner zijn ogen niet van de prenten kon afhouden, werd ik gefascineerd door een typische Rajastan armband in de vorm van een slang met twee koppen. De edelsmid volgde mijn blik en nam het stuk uit de vitrine. Hij vertelde dat zijn vader er weken over had gedaan om deze band te emailleren, maar Indiërs vertellen zo veel. Hij wilde dat ik hem voor de aardigheid paste, maar ik kreeg hem niet over mijn hand. Ik voelde me al opgelucht toen hij me bezwoer dat de maat goed was. In Holland zou de band me als gegoten passen.
Drie weken na thuiskomst kon ik hem inderdaad gaan dragen.

Zodra het duister invalt komen de ratten bij horden de straat op, waar je maar bent. De eerste keer dat je ze ziet gruw je ervan, maar alles went. Ze zijn trouwens heilig en de hevige afkeer die wij voelen is overdreven en cultuurbepaald. Als je dit eenmaal beseft dan denk je hoogstens “kijk, daar gaat er weer een”. De ratten kunnen zwart zijn, of beige of grijs met behaarde staart. Ze zijn niet eens zo heel erg lelijk.

speld20 december 1995

Uitstapje naar Amber

Tegen half tien vertrokken naar het fraaie Amberpaleis waar je ook door een olifant naar boven gereden kunt worden. Ons groepje ging te voet want olifantenpoep bestuderen vonden we veel interessanter en er viel genoeg van. Er zitten massa’s strootjes in die nog prima kunnen branden, dus werd hij in emmers verzameld of het goud betrof. Ze zullen er ook wel ballen van draaien en die dan plat slaan tot dikke pannekoeken die ze vervolgens te drogen leggen.

Zoals kamelen (of dromedarissen) altijd iets hooghartigs hebben, zo hebben olifanten iets waardigs met hun schommelende vel, al kijken ze vaak treurig uit hun kleine oogjes. Als een van hen mij zijn slurf als zitplaats had aangeboden, had ik dit niet afgeslagen maar aan de toeristenmand op zijn rug, die hij op commando moest laten deinen, had ik bij voorbaat een hekel. Temeer daar er ook speciale, metershoge stoepen waren om in- en uit de mand te stappen.

Op het voorplein waren horden aapjes die rap en brutaal tussen de toeristen door holden op zoek naar tasjes en zonnebrillen. In de restauratie renden ratten heen en weer. We bleven er een tijdje naar staan kijken, maar mijn blik dwaalde steeds weer af naar de olifanten die in een onafgebroken colonne bezoekers aandroegen. Heel India leek wel kerstvakantie te hebben.

Het paleis was indrukwekkend en van een maatvoering zoals wij in Europa nauwelijks kennen. Vooral in de Jai Mandir of overwinningshal waren de details fijn en rijk versierd, veelal met ingenieuze mozaïeken van stukjes gekleurd glas en spiegel. Je had er ook een schitterend uitzicht over een meer.

In het kleine, ronde slaapvertrek van de vorst werden we in het pikkedonker opgesloten. De gids van het paleis ontstak een kaars en liep er het vertrek mee rond. Omdat het koepelvormige plafond geheel uit een beetje gebolde spiegeltjes bestond was het effect grandioos. In een ander deel van het paleis raakte ik onder de indruk van een partij vensters uit opengewerkt marmer. De strakke, zich steeds herhalende motieven waren bij elk raam weer anders. Als je ze op een afstand door je wimpers bekeek, leken ze van kant.

Na het Amberpaleis voerde de route ons langs het Jai Mahal waterpaleis waarvan we alleen maar een fotootje mochten te nemen. Toen ging het onvermijdelijk naar een goudatelier waar ze edelstenen slepen. Pro forma dus, want het was een doodgewone verkoophal, maar niemand wilde iets kopen. Van de edelsmidse werden we een weverij binnengejaagd waar honderden lappen in katoen en zijde lagen, maar we kochten weer niets. De chauffeur was teleurgesteld. Hij deed hierna nog het witmarmeren monument aan van Maharadja Jai Singh II in Gaitor waar naast de gebeeldhouwde duiven een zwerm levende zich spetterend baadde in een antiek waterbekken. Ook deze plaats was mooi, fijnversierd, imposant en vooral van enorme afmeting.

Na een snelle hap op het gazon van ons hotel de bus weer in voor het volgende uitje: een tempelcomplex ten oosten van Jaipur, waar je de zon schitterend kon zien ondergaan (mits er geen wolken waren) en waar je een prachtig uitzicht kon hebben op de stad (mits het helder zou zijn). Je moest er wel een eind voor klimmen.

Terwijl de rest van de groep zwetend naar boven klom, hielden Ilse en wij het pad halverwege al voor gezien. We keerden terug langs het weggetje met het heilige bad en de aapjes want we hadden meer interesse voor de tempels beneden, waarvan er enige werden gerestaureerd. Onder de monotone klank van bellen bekeken we ze grondig vanbinnen en vanbuiten.
Toen we de trap van de laatste tempel afdaalden, kwam ons een monnik tegemoet die vroeg of we de mand wel hadden gezien. Welke mand? We volgden hem terug naar binnen. In een donkere hoek stond een mandje waarin wel twintig beeldjes lagen die kennelijk kort geleden uit hun nisjes waren geslagen. De monnik ging niet zachtzinnig met de koopwaar om. Hij graaide een paar keer zo ruw in de mand, dat er menig neusje werd beschadigd. Voor hem waren de prachtige figuurtjes duidelijk oude troep.

De anderen kwamen terug. Ze hadden de zon niet zien ondergaan want er was op het moment suprème een dikke stofnevel opgetrokken zodat de zon hier bleekjes in was weggezonken. Van het fraaie uitzicht op Jaipur hadden ze ook niet kunnen genieten.

 


Delhi | Jaipur | Pushkar |  Bharatpur | Agra |  Jahnsi | Khajuraho |  Varanasi | Calcutta |  Bhubaneswar | Puri |  Delhi2