Noord India

sieraad uit Jaipur

Navigatie

Home
Over elisa
Zwartboek
Boekbinden
Weblog

De route

Delhi
Jaipur
Pushkar
Bharatpur
Agra
Jhansi
Khajuraho
Varanasi
Calcutta
Bhubaneswar
Puri
Delhi2

Andere reizen

Noord India '96
Zuid India '97
Rajastan '98
Goa '98
Sri Lanka '99
Noord/Zuid '01

Overig India

Eten
Tips
Boeken
Links
Sari
Muziek
Foto's '01

© 1998

Verhalen noch
foto's svp
verspreiden
zonder
vermelding
van bron.

Downloads

Alle verslagen
zijn integraal
te downloaden.
envelop
mijn postbus

speld18 en 19 december 1995

In Old Delhi zijn we ondergebracht in een hotel niet ver van Chandni Chowk, het Rode Fort en de Jami Masjid. Heerlijke bedden, lakens grauw maar fris, badkamer vol scheuren maar met warm water en zonder kakkerlakken. Er is zelfs een bad, en de stop hangt zowaar nog aan het kettinkje.

Op nog geen twintig meter van ons vandaan liggen de daklozen onder de arcaden te slapen. Bewegingloos, ingepakt als mummies met de deken over hun kop. Als je hiervan foto’s nam, zou je die kunnen verkopen als bewijs dat in Delhi de doden op straat liggen. Zal ook wel eens gebeuren dat iemand niet meer opstaat, maar niet elke mummie die je hier ziet hoeft dus per definitie een lijk te zijn.

Alles slaapt op de stoepen door elkaar: oudjes, kinderen, de armsten der armen, zieken en opgeschoten vlegels die overdag een centje verdienen met rikshaw rijden, een karig inkomen waarmee zo’n jong de hele familie onderhoudt. Ze lijken vaste plaatsen te hebben en gemeenschappen te vormen, deze horden stoepbewoners die je overal in Old Delhi kunt vinden.

Vergat ik nog te melden dat zich onder de menselijke slapers ook vee van allerlei pluimage en wollage bevindt. Schapen, geiten, honden liggen her en der naast hun mensen of in groepjes bij elkaar.

De heilige koe die zich in vele verschijningsvormen manifesteert, leidt hoog verheven boven het menselijk gewoel haar eigen goddelijke leven. Of zij nu koe is of stier, karbouw of zeboe maakt niet uit. Haar wordt geen strobreed in de weg gelegd. Zij schrijdt van de ene berg afval naar de andere, steekt op haar dooie gemak verkeersaders over, sukkelt tegen verkeersstromen in, blijkt geluid- en stresbestendig en is mak en tevreden als een lam.

Paarden en ezels wonen hier ook alsof dit gewoon is, evenals olifanten. Alles blaft, mekkert, loeit, hinnikt, balkt en trompettert er vrolijk op los. Overdag begeleid door een orkest van autoclaxons, belgerinkel, en mensenstemmen; ’s nachts zingen ze canons à capella. Luid en duidelijk resoneren hun dierlijke stemmen dan tegen de stenen gevels van de veelal vervallen huizen. Ook in de huizen wonen dieren. Menige koe schrijdt ’s avonds haar eigen voordeur binnen.

Dan zijn er nog de talloze groepjes postduiven die op de platte daken bij de mensen leven. Hun bazen doen wedstrijdjes met elkaar wiens duivengroepje het best kan vliegen. Kwajongens laten op aangrenzende daken ondertussen vliegertjes op. Fascinerend om te zien hoe de duiven hiervan schrikken, hun koers schielijk verleggen en toch gesloten formaties blijven vormen.

Vanuit ons hotelraam op de vijfde verdieping kijken we neer op een kleine moskee, en op de bewoners van talloze platte daken. Op een van die dakterassen zit een vrouw de hele dag broden te kneden die ze vervolgens op de balustrade legt. Dit dachten we tenminste, maar Evert, die de bakster van dichterbij kan bekijken, meldde dat het koeienflatsen waren die werden uitgeknepen en gedroogd. Om de ovens mee te stoken.

Uit een van de huizen in het nauwe steegje wordt elke morgen een half dozijn schapen en geiten naar buiten gebracht, en ’s avonds natuurlijk weer binnengehaald. Een oude man past op de dieren alsof het zijn kleinkinderen zijn. Hoewel de bewoners in hun te dunne kleren vernikkelen van de kou, dragen de geiten allemaal een wollen dekje.

Gisteren zijn we naar de Memorial Ghats geweest, een statige gedenkplaats bij de rivier Yamuna voor Mahatma Gandhi. Er stond een indrukwekkende hoeveelheid bezoekers in een lange rij te wachten. Het waren gewone gezinnen en hele families die er een bloemetje kwamen leggen. Ze stonden in dikke rijen eerbiedig en stil rond zijn grote altaarsteen. Even verder, op Shanti Vana, hebben we de gedenkplaatsen bezocht van Nehroe en de Ghandi’s.

Toen we de Memorial Ghats verlieten passeerde ons een kleine lijkstoet, want schuin tegenover was een crematieplaats voor de gewone mensen. Een man of acht droeg op een holletje een primitief in elkaar gevlochten baar, waarop een in witte lappen gewikkelde gestalte lag, omwikkeld met een oranje sjerp en met bloemslingers omkranst. De mannen stootten eentonige geluiden uit op de maat van hun drafje.

Als volgende bezienswaardigheid kozen we het Rode Fort (Lal Quila), maar omdat we nog een jet-lag hadden hebben we dit maar vluchtig bekeken, waarvan ik later spijt kreeg. We beperkten ons tot de grote audiëntiehal en de pauwentroon waarvan de schoonheid nog niet in zijn volle omvang tot ons doordrong. We hielden het moois voor gezien en zijn doodleuk in het zonnetje gaan zitten.

Ons laatste project de Jama Masjid, grootste moskee van heel India en het laatste bouwwerk van Shah Jahan, bleek een oase van pracht en rust zoals hij verheven lag boven zijn omgeving. We beklommen een flinke trap om op de marmeren “courtyard” te komen waar grote groepen duiven het blanke marmer bevuilden. We lieten onze schoenen bij een poortwachter achter. Midden op het immense plein was een waterbekken waarin vrome mannen en vrouwen hun polsen onderdompelden of hun gezicht wasten. Wat mij het meeste opviel was dat alle vrouwen rond beide polsen vele armbanden droegen.

Op de trappen aan de andere zijde speelden jonge geitjes en ver beneden de slanke minaretten voltrok zich het roerige leven van Old Delhi. Ineens werd de serene rust verstoord door twee heftig ruziënde mannen. Ze scholden elkaar onmiskenbaar uit voor alles wat lelijk was. Jammer dat we hen niet konden verstaan want een luidruchtige scheldpartij is voor India iets bijzonders, zeker op moskeeterrein. De poortwachter kwam snel tussenbeiden en werkte een van de ordeverstoorders kordaat de poort uit.

Het aardige van Old Delhi is trouwens dat de Engelsen er niets hebben verpest. Die hebben een New Delhi naast de oude stad gebouwd en de oude plaats ongeschonden gelaten. New Delhi is zeer uitgestrekt en staat vol overheidsgebouwen, luxueuze huizen en statige hotels.

Er sjezen allemogelijke soorten rikshaws door de stad, maar de motorrikshaws zijn de mooiste. We hebben er al twee keer in gezeten. Gisteravond met acht man plus de bestuurder en nog een onbekende lifter. Het was een echte Harley Davidson waarop de grote bak bevestigd was. De bestuurder zag er even opvallend uit als zijn voertuig: hij had een kolossale krulsnor en een even overdreven bolle pet met enorm grote, rode Schotse ruiten.

De vormen van transport laten zich met geen pen beschrijven of met welk medium dan ook in plaatjes vangen. Het is een combinatie van kleuren, geuren en lawaai, en een complete chaos. Vrachtauto’s, autobussen, personenwagens, autorikshaws, motorrikshaws, fietsrikshaws, scooterrikshaws, voetgangers, koeien, geiten, paardenkarren, door mensen geduwde karren, honden, schapen, alles beweegt zich kriskras door elkaar in één grote kluwe. Je kunt over de hoofden lopen. Alles deint over boulevards, door straatjes, steegjes, en sloppen. De benzinewalm is overweldigend en wordt op sommige plaatsen alleen nog door de pislucht overtroffen. De herrie is oorverdovend want alles wat geluid kan maken klinkt op volle kracht. Lijken de rikshaws in Indonesië al uit het jaar 1900, hier lijken ze te stammen uit het jaar nul! Toch hebben we nog nergens brokken gezien wat een wonder mag heten. Nu zal de opruimdienst hier ongetwijfeld vleugels hebben. Bestuurders zijn echter ware acrobaten die een sportief spel toepassen van geven en nemen.

Langs alle boulevards, straten, stegen en sloppen vinden alle denkbare vormen van handel plaats. Winkeltjes natuurlijk, vaak niet meer dan spelonken waarin wat voorraad ligt. Verder eindeloos veel mannen en vrouwen die, zittend op straat, hun schamele koopwaar hebben uitgestald op matjes, in manden, op plankjes, in dozen. Onder hen bevinden zich vele koks die hurkend bij hun wok op een primitieve brander oliebolletjes frituren of bladerdeeghapjes, aardappelkroketjes, loempiaatjes en meer van dit soort heerlijkheden. We komen niet in de verleiding er iets van te proeven want de straten zijn te smerig. Je durft hier niet eens op sandalen te lopen.

Waar meer ruimte is staan handkarren met een overvloed aan voedsel: prachtige gewassen zoals granaatappeltjes, verse dadels, radijs, peen, sinaasappels, kleine banaantjes, grapefruits, mandarijnen, alles in kunstige torentjes hoog opgestapeld. Er zijn ook karren met pasta’s en grutterswaar zoals linzen, bonen, rijst, erwten en kruiden in dozen of mandjes. Dan zijn er nog de karren met primusbranders waar je rijst met een curry kunt laten maken.

In de winkels wordt het graan nog in jute zakken bewaard, wat een lust is voor ratten, muizen en vogeltjes die hier gretig van snoepen zonder dat ze worden weggejaagd. Dieren worden gerespecteerd omdat er de ziel van opa of oma in zou kunnen huizen. Katten zie je weinig, maar misschien sluipen die pas rond als het nacht geworden is.

Kortom één onafzienbare kluwe zittende, hurkende, staande of lopende handelaren die allemaal luid roepend klanten willen trekken. Hiertussen hebben ook bedelaars, zieken en verminkten zich een plekje gekozen. Gehuld in de kleurigste lappen wordt hier de “struggle for life” uitgevochten, en de “survival of the fittest”. Geen meter blijft onbenut. Het is fascinerend, weerzinwekkend, adembenemend, schrijnend, vertederend, beklemmend, hartverwarmend en hartverscheurend tegelijk, de taaie veerkracht van deze enorme drommen mensen.

Zodra de zon was verdwenen werd Delhi behoorlijk koud (eind december) maar het leven op en in de straten werd hier niet minder om. Wie een lap had sloeg hem om zijn schouders en in de goten werden kleine vuurtjes aangestoken waaraan men zich kon warmen. Of men dromde samen rond de branders van de koks om een sprankje warmte op te vangen. Arm van lijf, maar rijk van geest want in de ellende werd heel wat afgebabbeld en zelfs gelachen.

In een van de kelders langs een steegje werd brood gebakken. Er was een groot ventilatiegat om de warmte uit de kelder af te voeren en er hing een heerlijke geur. Wel drie rijen dik zaten daar afgeleefde sprietmagere mannetjes in hun omslagdoeken gedoken. Het deed bijna denken aan de gruwelijke foto’s van concentratiekampen, zo gelaten en schriel als die mannen daar zaten. Maar ze keken uit hun ogen alsof ze het heel goed getroffen hadden op deze plek en met elkaar.

Onze eerste Indiase boodschap betrof een Kasjmier trui want we hadden te weinig warme kleren ingepakt. Overdag werd het een graad of 25, maar zodra de zon verdween liepen we te rillen. Vandaag stond er een snijdende wind die recht uit de Himalaja kwam. Van Monique had ik de geweldige tip gekregen om ook een wollen omslagdoek te kopen omdat die ook ’s nachts als extra deken gebruikt kon worden.

In onze reisgids hadden wij het adres gevonden van een Govt, een overheidswinkel met vaste prijzen en goede kwaliteit die met klem wordt aanbevolen aan onwetende toeristen. We hadden hem ook op een plattegrond ontdekt, maar om er te komen bleek een heel avontuur. Een Indiase rikshawrijder zal nooit laten blijken dat hij a) geen Engels verstaat en b) niet kan lezen. Hij zegt lachend “ja ja” om beleefd te blijven, en brengt je ongeveer in de richting waarnaar je hebt gewezen. Hij zegt niet dat hij het fijne van de opdracht niet heeft begrepen en zet je liever lukraak ergens af.

Zodra je dan op straat staat te schutteren met plattegrond of reisgids, zal elke voorbijganger vriendelijk vragen wat je zoekt of waar je heen wil. Als je dit zelf nog niet weet, omdat je er geen benul van hebt waar je door de rikshawrijder bent gedropt, veroorzaak je een oploop want iedereen gaat er zich mee bemoeien en maar weinigen spreken verstaanbaar Engels. Je voelt je steeds minder behaaglijk. Ze wiebelen met hun hoofd, wat ja of nee kan betekenen, wijzen verschillende richtingen aan en knikken en lachen maar wat. Totdat er iemand opduikt die beter Engels spreekt en je de goede richting kan wijzen. Anders val je wel in handen van een “runner” die beleefd aanbiedt om een eindje met je mee te lopen, wat je dankbaar accepteert om uit de oploop te ontsnappen.

Een “runner” is grofweg iemand die provisie vangt voor het simpele feit dat hij je een winkel binnenloodst. Deze provisie voor meestal ongevraagde - en nog vaker ongewenste - diensten wordt de klant natuurlijk in rekening gebracht. Heel India is van runners vergeven. De economie schijnt erop te drijven. Het werd later dan ook een ware sport om in bekende toeristenplaatsen runners en waiters te ontlopen.

De runner die ons ten deel viel in de wirwar van Delhi bleek beleefd en ontwikkeld. Zolang we in zijn gezelschap verkeerden werden we door de andere aasgieren tenminste met rust gelaten. Hij stelde zich voor als geschiedenisstudent, wat iedereen wel kan zeggen. We bleven op onze hoede omdat Miguel de groep goed had ingepeperd dat runners slinks proberen aan de weet te komen wat je zoekt en hoeveel je daarvoor wil betalen.

We lieten ons eerst door hem naar een behoorlijke koffieshop brengen en stelden hem zoveel vragen over zijn studie en geboorteland, dat hij geen tijd kreeg om ons uit te horen. Hij kwam uit Ladakh, een van de noordelijkste provincies van India, met hoge bergen en eeuwige sneeuw. Hij had, zoals trouwens de meeste studenten, een job als runner om boeken te kopen en zijn treinreis naar huis te kunnen betalen. Hij zei dat Delhi ’s zomers met temperaturen rond 40° à 50° celcius niet te harden was voor mensen uit het hoge noorden .

Zo vertelde hij ook over het nog ongerepte leven in de dorpen van Ladakh waar schapen worden gefokt speciaal voor de kashmiers. Wij spitsten onze oren. Hij bleek alles van wolverwerking te weten omdat zijn ouders het deden en hij ermee was grootgebracht. Hij legde ons uit hoe er met kasjmier kon worden geknoeid en waar je vooral op moest letten.

Na deze toevallige verhalen vroegen we hem toch maar om ons naar een wolwinkel te brengen waarvan er duizenden in Delhi zijn, zowel hele goede als hele slechte. Hij nam ons mee naar een zaakje met prachtige spullen van kashmierwol. De truien die ze verkochten waren op de naden met katoenen bandjes versterkt, precies zoals het hoort. We kochten er twee en hij ving dankbaar zijn provisie. Toen bracht hij ons nog tot de deur van de Govt die vlakbij bleek te liggen. Het was een wanstaltig groot rose gebouw. De kashmiertruien die ze daar verkochten waren niet op de naden versterkt maar wel een beetje duurder.

Op straat is alles te koop, maar er drommen meteen zoveel verkopers om je heen dat je de draad (en de tel) kwijtraakt, hetgeen ook de bedoeling is. In een winkel kun je vaak rustiger overwegen of een aanschaf zinnig is of niet. Hoewel, je moet wel stevig in je schoenen blijven en weten wat je wil. De meeste verkopers beginnen hun hele voorraad uit de kast te trekken en onder de toonbank vandaan, ook allerhande zaken waarom je niet hebt gevraagd. Dit is een psychologische oorlogsvoering waarin ze ijzersterk zijn. Ze blijven spullen tonen tot jij met kromme tenen uitroept: “dàt al helemaal niet, en dit ook niet”. Hierop begint de verkoper de afgekeurde zaken rustig weg te bergen terwijl hij de minst lelijke voorlopig laat liggen. Al babbelend verleidt hij je hieruit een keuze te maken. Indiërs zijn hoffelijk en galant, geduldig en knap om te zien. Het zijn geboren toneelspelers. Ze doen reuze veel moeite en zijn zo aardig...

Pas buiten besef je dat je er weer eens bent ingestonken want je hebt iets gekocht dat je helemaal niet wilde hebben. Bovendien heb je niet het mooiste gekocht, maar dat wat het minst lelijk was!

 


Delhi | Jaipur | Pushkar |  Bharatpur | Agra |  Jahnsi | Khajuraho |  Varanasi | Calcutta |  Bhubaneswar | Puri |  Delhi2